Joris en Kors – een verhaal

Belevenissen in een middeleeuwse stad

Aan het werk.
’t Is nog vroeg in de morgen. De eerste zonnestralen komen door de kleine ruitjes boven de luiken de kamer binnen waar Joris slaapt.
Joris wordt wakker, maar dat komt niet door het zonlicht, maar door een hard geluid. Het komt van de bakker. Om half vijf in de morgen staat bakker Johan voor de deur van de bakkerij. Hij blaast op een hoorn. Heel hard. Iedereen moet het horen. Het betekent dat hij de eerste broden uit de over gehaald heeft. Hij heeft er een paar uitgestald op de neergeklapte luiken voor de bakkerij. De mensen kunnen nu komen om ze te kopen.
Joris weet het. Straks zal hij weer voor moeder brood moeten halen.
Maar nu nog niet. Hij dommelt weer in. Ergens achter één van de huizen kraait een haan.

Ruim een uur later wordt hij weer wakker. Nu van een ander geluid. Het komt van de overkant, uit de smederij. Crijn de smid heeft het vuur opgestookt en is begonnen met het smeden van een hoefijzer voor een paard. Met harde klappen brengt de smid op het aambeeld een ijzeren staaf in de goede vorm. Even ligt Joris te luisteren. Hij hoort ook andere geluiden van mensen in Midholst die met hun werk beginnen. Dan gaat Joris uit bed. Hij kan toch niet meer slapen. Zachtjes trekt hij zijn broek en wambuis aan. Zijn kleine zusje in het andere bed slaapt nog.
Beneden is moeder al bezig. Ze heeft de pappot boven het vuur gehangen.
“Joris”, zegt ze, “als je je pap op hebt, moet je eerst even brood halen bij de bakker. Daarna moet je uit de groentetuin wortels halen en knolselderij en pastinaak, dan maak ik vandaag hutsepot.”

Even later loopt Joris door de werkplaats van vader Lambert Henriks naar de buitendeur. Vader en Sijmen zijn al aan het werk. Vader Lambert is schrijnwerker. Dat betekent dat hij kisten maakt, waar de mensen hun spullen in kunnen opbergen. Een schrijn is een soort dekenkist. Soms maakt vader er leuningen bovenop, dan heb je een bank om op te zitten. Behalve kisten maakt vader ook meubels. Meestal heel eenvoudige meubels, maar voor rijke mensen kan hij ook erg mooie meubels maken Soms hakt hij met een beitel of een guts allerlei figuren in de voorkant van een schrijn, zoals versieringen met bladeren en bloemen.
Sijmen is planken aan het zagen. Hij is geen broer van Joris, maar een leerling van vader. Zijn ouders wonen in een dorpje ver buiten Midholst. Het is te ver om elke dag heen en weer te lopen, daarom woont Sijmen nu al een paar jaar bij de ouders van Joris in huis. Hij wil ook graag schrijnwerker worden. Als hij goed zijn best doet, wordt hij binnenkort gezel. Dan gaat hij naar een andere schrijnwerker om de moeilijke dingen van het vak te leren. Tenslotte zal hij een heel mooi werkstuk moeten maken. Als de overmannen (de bestuurders) van het gilde van schrijnwerkers het goed genoeg vinden, wordt hij meester-schrijnwerker, net als vader.
Vader is heel knap, vindt Joris. Hij blijft altijd even kijken als vader aan het werk is. Nu is hij bezig met een schrijn voor de wever, die in het huis aan de overkant van het Achterstraatje woont. Met een guts hakt hij er figuren in. Mooi is dat, als je de figuren die je in je hoofd hebt in hout kunt uithakken. Later als hij groot is, wil hij dat ook leren.
“Moet je een boodschap doen?” vraagt vader. “Ja, ik moet naar de bakker”, zegt Joris. “Kom dan vlug terug, want ik heb ook nog een karweitje voor je.” Vader draait zich om en werkt al weer verder.

Als Joris de deur uitgaat, komt net zijn vriendje Kors eraan. Kors woont even verderop in een klein oud huis met een strodak. De vader van Kors, Bertram Korsenzoon, is ook een ambachtsman die in zijn huis een werkplaats heeft. Hij is blauwverver. Hij geeft lappen stof een mooie blauwe kleur. De lappen stof die in de weverij geweven worden van wol of van linnen, hebben meestal een grauwwitte kleur. Kors z’n vader doet die lappen in een verfbad. De blauwe kleurstof die hij daarvoor nodig heeft, koopt hij van handelaars, die het uit een ver land halen. Van de geverfde stoffen kunnen kleren gemaakt worden: jassen en broeken. Zoals alle ververs gebruikt Bertram maar één kleur. Andere ververs hebben weer andere kleuren.
“Hé, Joris, waar ga je heen?” roept Kors.
“Ik moet brood halen”, zegt Joris.
“O, mijn moeder stuurde mij ook al om een boodschap. Ik moet naar de kruidenwinkel”.
“Zullen we samen gaan?” vraagt Joris.
Joris en Kors doen altijd alles samen. Het zijn dikke vrienden.
“Goed”, zegt Kors, “Laten we dan eerst naar de bakker gaan”.
Kors komt graag bij de bakker. Het ruikt er altijd zo heerlijk en meestal krijg je van de bakker een handvol koekkruimels als je je boodschap gedaan hebt.
Bakker Johan Hendricxzs is een vriendelijke goedlachse man, die graag een grapje maakt. Het is druk in de winkel, maar de bakker neemt de tijd om met zijn klanten een praatje te maken. De jongens wachten geduldig op hun beurt. Intussen kijken ze rond. Er zijn niet alleen maar broden te koop.
Buiten aan de luifel hangt een bos verse krakelingen.
“Oh, dat is lekker!” zegt Joris. Hij wijst op een plank waarop allerlei koeken liggen: pasteien, honingkoeken en suikerkoeken met een wit laagje suiker erop. Zulke lekkernijen hebben ze bij Joris en Kors thuis nooit. Voor een gewone ambachtsman is dat veel te duur. Alleen rijke mensen, zoals de bierbrouwer en de schepen kunnen dat kopen.
Ineens horen ze de stem van de bakker:
“Zeg het maar jongens, welke wil je hebben?”
Joris kijkt geschrokken om. Hij was vergeten op zijn beurt te letten.
“N . . . . . nee bakker, ik moet alleen maar een brood kopen”.
De bakker kijkt hen met pretoogjes aan.
“O, ik dacht dat je je moeder wilde verrassen met iets lekkers”.
Even later gaan ze de deur weer uit. Joris met een warm brood onder zijn arm en allebei met een hand vol koekkruimels. Er zitten stukjes honingkoek en suikerkoek tussen. Die goeie bakker toch! Smullend gaan ze de hoek om, het Achterstraatje in naar de kruidenwinkel.

Het huis van Ysebrandt Wiggerts de kruidenverkoper staat wat achteraf, maar al van een afstand is te zien dat hier kruiden verkocht worden. Op en onder de luiken staan zakken, schalen en kistjes met allerlei kruiden. Er zijn kruiden die gebruikt worden om het eten lekker te maken, zoals maanzaad, koriander en kruizemunt. Andere kruiden dienen als geneesmiddel tegen allerlei kwaaltjes. Kors z’n vader heeft veel last van maagpijn. Daarom moet Kors karwij halen. Dat helpt daar goed voor. “En neem dan gelijk een zakje arnicablaadjes mee”, heeft moeder gezegd, “want die zijn alweer op”. Kors weet het. Hij komt nogal eens thuis met een buil of een blauwe plek, als hij weer eens te wild gespeeld heeft. Dan helpt arnica de pijn te verzachten. Toch komt hij niet graag in de winkel van Ysebrandt. De kruidenverkoper is een magere man met kleine priemende oogjes. Eigenlijk is Kors een beetje bang voor de vreemde man.
Hij is blij dat Joris erbij is.
“Wat zal het wezen?”, klinkt het zo gauw ze binnen zijn met een krakerige stem. Vlug vertelt Kors zijn boodschap. Hij is opgelucht als ze even later weer buiten staan. “Het ruikt hier ook lekker”, zegt Joris. Kors had er niet op gelet, maar Joris heeft gelijk. Het ruikt hier anders lekker dan in de bakkerij. Er hangt een aparte pittig-zoete kruidengeur.
Als de twee jongens terug lopen naar huis zien ze boerenwagens het plein oprijden dat voor de huizen ligt. ’t Zand wordt deze plek genoemd, want er liggen geen straatstenen. De boeren zijn naar de stad gekomen om naar de markt te gaan, maar in de nauwe straatjes van Midholst is niet genoeg ruimte voor al die grote wagens. Daarom laten de meeste boeren hun wagens achter op ’t Zand. Bovendien kunnen ze hun paarden dan naar de stal achter de smederij brengen. Daar zorgt Crijn de smid voor de dieren.
Een boer en z’n vrouw klimmen uit een wagen met een huif. Ze slaan het zeildoek op en halen twee kruiwagens tevoorschijn. Die vullen ze met allerlei groenten, die in de bak van de wagen liggen. Als ze het paard bij Crijn gebracht hebben, gaan ze met de kruiwagens naar de markt om daar hun waren te verkopen.
Intussen staan de jongens weer bij het hoge houten huis van de schrijnwerker op de stoep. Joris vraagt: “Moet jij nog wat doen vandaag?”
“Ik moet vanmorgen mijn vader helpen”, zegt Kors. “De werkplaats moet schoongemaakt worden”.
“Ik moet ook nog wat voor mijn moeder doen”, zegt Joris. “En daarna moet ik mijn vader helpen. Maar heb je vanmiddag vrij?”
“Ik denk het wel”, zegt Kors. “Zullen we dan afspreken dat we elkaar zien bij de trap naast de brug?”
“Doen we!”, zegt Joris en hij gaat vlug naar binnen om moeder het brood te geven.

Kors slentert verder. Hij heeft geen haast. Eigenlijk heeft hij er niet veel zin in om de vloer van de werkplaats te boenen. Hij is liever buiten op ’t Zand. Daar is altijd wat te beleven.
Bij de radmakerij, schuin voor hun huis, blijft hij staan.
Obbe Werners, de radmaker, komt juist naar buiten met een wagenwiel dat hij gemaakt heeft. Knap is dat. Buiten ligt een halve boomstam. Daar zaagt hij stukken van af en hakt die in kleine moten op het grote hakblok voor de deur. Binnen maakt hij er met zagen en beitels spaken van en ronde stukken voor de velg. Het is een kunst om zo’n wiel precies rond te maken.
Obbe rolt het wiel naar de smederij aan de overkant van de straat. Kors loopt met hem mee.
De smid moet een stalen band om het wiel maken. Kors heeft wel vaker gezien hoe hij dat doet. De smid maakt de band net iets te klein. Dan legt hij hem in het vuur. Door de hitte zet het ijzer uit en dan past de band makkelijk om het wiel. Daarna gooit de smid enkele emmers water over het wiel. Er klinkt dan een hevig gesis, stoomwolken vullen de werkplaats. Door het koude water krimpt de ijzeren band en klemt daardoor muurvast om het wiel.
“Kors, binnenkomen!”
Aan de overkant van de weg staat vader Bertram in de deuropening. Met een barse stem en een boos gezicht roept hij Kors naar binnen. Bertram heeft op de jongen gewacht, want hij moet hem vanmorgen helpen. Nu staat hij zijn tijd weer te verlummelen bij de smid. Hij zal nog moeten leren dat er hard gewerkt moet worden om elke dag genoeg eten op tafel te krijgen.
Kors gaat snel naar binnen en doet toch gewillig wat vader hem zegt. Hij heeft een fijne vader, maar je moet het niet wagen om ongehoorzaam te zijn.

 

Avontuur op de kade
Even na de middag gaat de deur van het grote huis langs de gracht open. Een deftige man met een lange zwarte mantel en een hoed met een veer stapt naar buiten. Het is Walich Brunicksz van Cleve, de schepen. Met zijn hooft fier omhoog gaat hij de straat op. Hij is een belangrijke man. Als koopman heeft hij veel geld verdiend. Daardoor kon hij een mooi stenen huis laten bouwen. Bovendien is hij schepen geworden, dat is een rechter.
Nu is hij onderweg naar het stadhuis van Midholst. Daar komen vanmiddag ook de andere schepenen. En natuurlijk de schout, want dat is de belangrijkste man van de stad. De schepenen helpen de schout de stad te besturen. Ze moeten wetten maken en misdadigers straffen. Er moet orde en regel zijn in een stad, omdat daar veel mensen dicht bij elkaar wonen. Even ergert hij zich aan een wagen met biertonnen die voor het huis van de bierbrouwer zomaar midden op de weg staat. Morgen zal hij er wat van zeggen tegen Huych de brouwer. Nu loopt hij met grote stappen verder.

Intussen gaat Joris haastig de deur uit. Hij heeft zitten smullen van de hutsepot. Moeder had wortels, knolselderij, pastinaak en stukjes ossenstaart in de kookpot gedaan en voor de smaak wat peper en gemberwortel erbij. Daarna had ze de kookpot boven het houtvuur van de haard gehangen tot alles gaar was. Ieder kreeg een kom hutsepot en een stuk brood erbij. Joris had het zo op, maar zijn zusje wilde niet eten. Daarom duurde het heel lang eer ze klaar waren met eten. Joris werd steeds ongeduldiger. Eindelijk mocht hij van moeder van tafel.
“Kors zit vast al een poos op me te wachten”, denkt Joris.
Hij rukt de deur open en holt de straat op, gauw naar de gracht.
Hè, nu staat de wagen van de bierbrouwer hem ook nog in de weg. Joris rent er omheen en . . . . . . boem!
Hij is tegen iets zwarts aangelopen.
Geschrokken kijkt hij in het boze gezicht van schepen Walich.
“Aap van een jongen, kijk uit waar je loopt!” gromt de man.
“Ik . . . . . ik zag u niet”, stamelt Joris.
Dan loopt hij maar snel verder.

Kors zit inderdaad al te wachten op de bovenste balk van de houten trap naast de ophaalbrug. Langs die trap kun je vanaf de kade naar beneden gaan en vlak bij het water komen. Dat is makkelijk om in een roeiboot te stappen of een emmer water te scheppen.
Hijgend gaat Joris naast Kors zitten.
“Mijn zusje wilde niet eten en ik zag de schepen niet”, zegt hij, happend naar adem.
“Wat heeft de schepen met je zusje te maken?” vraagt Kors verbaasd.
Dan vertelt Joris wat rustiger wat er gebeurd is.
‘Oei”, zegt Kors, “met de schepen moet je oppassen. Als je iets doet wat hem niet aanstaat, stuurt hij zijn rakkers op je af en die nemen je mee naar de gevangenis”.
Joris weet het. De rakkers zijn dienaren van de schepenen. Ze pakken misdadigers op en brengen die naar de gewelven onder het stadhuis. Daar is een nare donkere vochtige gevangenis. Nee daar zit Joris liever niet. Ze zeggen dat er ook ratten rondlopen. Brrr . . . .

Het is intussen warm geworden. De zon staat hoog aan de hemel.
Joris gooit een steentje in het water van de gracht. De kringen op het water laten zien waar het steentje verdwenen is. Kors pakt ook een steentje en probeert het nog verder in het water te gooien.
Door de warmte hebben ze nu geen zin in wilde spelletjes. Vaak is dat anders.
Vorige week nog. Toen waren ze aan het stoeien op een hoop stenen op de kade. Ineens verloor Kors zijn evenwicht en viel naar beneden tegen een lege ton die vlak aan de waterkant stond. Pardoes rolde de ton de gracht in.
Crijn de smid, die net een kruiwagen paardenmest leegde op de mesthoop hoorde een plons en een schreeuw. Snel kwam hij om de schutting heen om te kijken wat er gebeurd was. Gelukkig zag hij geen jongen in het water, maar een ton. Kors was er goed van af gekomen, behalve dan dat zijn elleboog lelijk geschaafd was. Kleine bloeddruppeltjes kwamen tevoorschijn. Met een lange haak uit de smederij lukte het Crijn de ton uit het water te vissen.
“Voortaan beter uitkijken”, had hij gebromd. Daarna was hij weer weggegaan. De jongens waren even geschrokken toen de smid eraan kwam. Crijn is geen kwaaie, maar hij heeft harde handen. Daar kun je beter geen pak slaag mee krijgen. ’t Was trouwens maar goed dat de bierbrouwer er niets van gemerkt had, die nijdigerd. Dan waren ze er niet zo makkelijk van af gekomen.

Tik – stap – tik – stap.
De jongens kijken om. Wie komt daar aan?
Ze dachten het al. Het is Alpher de oude schippersknecht. Hij loopt op één been en twee krukken. Het andere been houdt hij omhoog.
“Hoi, Alpher!” groeten de jongens.
“Zo, jongens, hebben jullie vrijaf vanmiddag?”
Voorzichtig laat Alpher zich een paar treden naar beneden zakken en gaat op een balk naast de trap zitten. Hij kijkt over het water naar de schepen die er liggen. Vroeger heeft Alpher ook gevaren, maar door een ongeluk op een schip is zijn linkervoet verbrijzeld. De voet is nooit meer goed genezen. Alpher kan er niet meer op staan. Sindsdien kan hij ook niet meer varen. Het werk op een schip werd trouwens toch al te zwaar voor zijn rug. Nu woont Alpher in een klein huisje naast de kruidenwinkel. Hij leeft van wat hij van de mensen krijgt. Soms wordt in Midholst door het stadsbestuur kleding of voedsel uitgedeeld aan de armen. Liefdadigheid heet dat. Het ergste vindt hij dat hij niet meer varen kan. Daarom maakt hij elke dag een wandeling naar de gracht om te kijken naar de schepen.

“Wat is dit voor een boot, Alpher?”, vraagt Joris, terwijl hij wijst naar een schip dat dicht bij de kade ligt.
Alpher vertelt: “Het is een waterschip. Dit schip heeft een hele grote ton in het ruim. Daarmee brengen ze vers zoet water naar bierbrouwerijen. Sommige waterschepen vervoeren er levende vis in.”
“Heb jij daar ook op gevaren?” vraagt Kors.
De jongens proberen door hun vragen Alpher aan het vertellen te krijgen. Ze luisteren graag naar zijn verhalen.
“Nee, ik voer altijd op een aak, zo een als daar achter de brug ligt. Tja, daar heb ik heel wat reizen mee gemaakt. We voeren van de ene stad naar de andere, steeds weer met een andere lading. We kwamen geregeld in Keulen. Dat is heel ver weg. Daar haalden we meestal wijn, zout en molenstenen. Keulen is een hele grote stad. Ik heb gezien dat ze daar een kathedraal aan het bouwen zijn. De torens waren al meer dan honderd meter hoog.”
“Heb je ook op zee gevaren?” wil Joris weten.
“Nee”, zegt Alpher, “Ik voer alleen op de rivieren. Aelt wel. Aelt heeft verre reizen over zee gemaakt.”
Ja, Aelt. De jongens kennen hem. Dat is de baas van de taveerne. Die man met de rode neus en waterige oogjes. De mensen zeggen: “Aelt drinkt teveel kannetjes leeg.” Daarom noemen ze hem Aelt Kanne.
“Aelt heeft op een kogge gevaren”, vertelt Alpher verder, “naar Zweden en naar Rusland. Hij is in verre havens geweest aan de Oostzee, waar rijke kooplui wonen in prachtige huizen, in Lübeck en in Rostock. Je moet dan helemaal om Denemarken heen varen. Ommelandvaart noemen ze dat. Hij is ook wel eens in Italië geweest. Daar is het warmer dan hier. Er groeien zelfs palmbomen. ’t Is wel gevaarlijk hoor, zo’n verre reis. Een kogge is wel een zeeschip, maar het is niet groot. Als je daarmee in een storm terecht komt, kan het heel verkeerd aflopen. Er je kunt ook overvallen worden door zeerovers.”
Joris ziet het voor zich. Het lijkt hem heel spannend, zulke verre reizen. Dan beleef je pas echte avonturen. Dat zou hij ook wel willen.
Een hele tijd luisteren de jongens naar Alpher.
“Maar kom,” zegt hij tenslotte, “ik moet weer terug naar huis.”
“Tot ziens hoor.”
Tik – stap – tik – stap.
De jongens zwaaien hem na voor hij de hoek om gaat het Achterstraatje in.

Joris en Kors staan ook op. Ze lopen voorbij de brug en verder langs de gracht. Links zien ze de aak liggen waar Alpher naar wees. Door de warmte van de zon is het zand van de weg langs het schepenhuis heel droog geworden. Als er een wagen voorbij rijdt, krijgen de jongens een wolk van stof over zich heen.
Joris is met zijn gedachten nog steeds bij het verhaal van Alpher.
“Alpher zei dat de torens van Keulen meer dan honderd meter hoog zijn. Weet jij hoe hoog dat is?” vraagt hij aan Kors.
“Nee”, zegt Kors, maar ik denk wel hoger dan de toren van het schepenhuis.”
“Vast wel”, zegt Joris en hij kijkt omhoog naar de traptoren naast het huis van de schepen, waardoor je op de bovenverdieping en op de zolder kunt komen.
Maar wat honderd meter precies is, weten ze allebei niet. Ze hebben nooit geleerd zover te tellen. Ze kunnen trouwens ook niet lezen en schrijven. Dat komt omdat zij net als de meeste kinderen niet naar school gaan. Alleen kinderen van rijke mensen leren lezen en schrijven bij de monniken in de kloosterschool. Kinderen van gewone ambachtslui moeten al gauw hun vader en moeder helpen. En als ze later een vak willen leren, worden ze leerling in de werkplaats van een baas, net als Sijmen bij de vader van Joris.

“Hijsen maar”, horen de jongens roepen.
De schipper van de aak geeft zijn knecht de opdracht het zeil te hijsen.
De jongens zien hoe het zeil langzaam omhoog kruipt langs de mast.
“Zou jij ook willen varen?” vraagt Joris aan Kors.
“Wat . . . . . varen? . . . . . ik niet hoor”, zegt Kors. “Stel je voor dat je meegenomen wordt door zeerovers. Die slaan je bont en blauw.”
“Au . . . . . !”
Wat is dat? Een zeerover?
Nee, een steen vloog door de lucht en kwam precies tegen het hoofd van Kors.
Waar kwam die steen vandaan?
De jongens kijken om. Dan zien ze het.

Achter het muurtje om de binnenplaats van het schepenhuis staat een lange magere knul met een katapult. Zijn kleren zijn vies. Een elleboog steekt door een gat in de mouw van zijn wambuis. Lange piekerige haren hangen langs zijn gezicht. ’t Is rooie Goof, de jongste zoon van Ghese Eenoog, die in een hut tegen de muur van de ruïne woont.
Vlug duiken de jongens weg achter een grote kist die op de kade staat.
Ze gluren om de hoek en zien dat Goof een steentje van de grond opraapt en met zijn katapult mikt op een raam van het schepenhuis.
Waarom doet hij dat?
Goof is boos. Boos op alle rijke mensen, vooral op de schepen.
Dat komt door wat er in het verleden gebeurd is.
Hij heeft van zijn moeder het trieste verhaal gehoord.

Hier op deze plek stond vroeger het houten huis van zijn ouders. Hier is zijn vader gestorven aan een gevaarlijke besmettelijke ziekte. Daarna woedde er een hevige brand in Midholst, waardoor heel veel houten huizen met strodaken in vlammen opgingen, ook hun huis . . . . . Goof was toen nog maar twee jaar oud. Intussen is dat al weer vijftien jaar geleden. Nu woont hij met zijn moeder en twee broers nog steeds in een hut die gemaakt is van afvalhout. ’s Winters kan het er bitter koud zijn. Warme kleren hebben ze niet.
Genoeg eten ook niet. Ze horen bij de armen van de stad.
En nu heeft die rijke schepen een mooi huis laten bouwen precies op de plek waar eerst hun huis stond.
Dáárom is Goof boos. Daarom wil hij wraak nemen op de schepen en probeert hij met een katapult van een kattendarm ruitjes in te gooien van het huis van die mooie sinjeur.
Eén steen ging per ongeluk in de verkeerde richting, scheerde rakelings langs het huis en kwam terecht op de kade, juist op de plek waar Kors met Joris naar de aak stond te kijken. Kors wrijft langs zijn hoofd. Hij voelt een buil groeien.
Dan klinkt er gerinkel van brekend glas.
“Oh!” de jongens springen geschrokken overeind.
“Hé, hou op!” roept Kors. “Dat mag niet. Je mag geen ruitjes ingooien.
Als de rakkers je zien, nemen ze je mee!”
Dreigend draait Goof zich om.
“Wat . . . . . ? Willen jullie mij vertellen wat ik wel of niet mag? Stelletje rijke stinkerds!”
Goof pakt een steen en richt zijn katapult op de jongens.
Joris en Kors rennen weg. Tegen zo’n grote knul kunnen ze toch niet op.
Ze rennen net zo lang tot ze voorbij de brug zijn. Hier durft rooie Goof ze niet te pakken. Als ze omkijken zien ze hem gelukkig nergens meer.

“Wat gemeen!” zegt Kors. “Het zou net goed zijn als de rakkers hem meenamen.”
De jongens weten het. Op ruitjes ingooien staan zware straffen, want ruiten zijn duur. Als Goof gepakt wordt, zullen stadsknechten hem op de markt aan een paal vastbinden. Ze zullen zijn wambuis uittrekken. Dan zullen ze hem op zijn blote rug een pak slaag geven met een gesel van leren riemen met knopen erin, totdat het vel van zijn rug stuk is en het bloed eruit komt. En als de schepenen ontdekken dat hij het vaker gedaan heeft, dan zal de straf nog veel erger zijn. Dan kan het zelfs wel gebeuren dat de beul hem een hand afhakt op een groot blok. Oei! . . . . . Als Joris daaraan denkt, huivert hij.
Het is voor die lange magere knul niet te hopen dat dat gebeurt. Stel je voor. Dan heb je voor de rest van je leven maar één hand.

De jongens lopen terug over ’t Zand.
Kors wil naar huis. De buil op zijn hoofd doet vervelend zeer.
“Ik ga naar binnen”, zegt hij. “Tot morgen hoor.”
Joris blijft nog even staan bij de travalje voor de smederij. De smid moet een paard beslaan. Dat betekent dat het paard nieuwe hoefijzers krijgt. Het is nogal een wild dier. Crijn heeft hem stevig vastgebonden, maar het paard rukt aan de touwen om los te komen. De smid klopt het dier op de hals en praat met kalmerende woorden tegen hem. Crijn kan goed met dieren omgaan.
Het lukt hem het paard rustig te krijgen.
Even later past Crijn een hoefijzer dat hij binnen gesmeed heeft, op de hoef.
Het ijzer is nog heet. De geur van schroeiend hoorn trekt over ’t Zand.
Dan gaar Joris ook maar naar huis.

 

Avond
Het is avond geworden.
De moeder van Kors was heel boos geweest toen hij weer met een buil thuis kwam. Ze had zich geen tijd gegund om naar zijn verhaal te luisteren.
Ze had het heel druk gehad en was moe.
“Jij hebt ook altijd wat!” zei ze.
“Zeker weer te wild gespeeld, net als vorige week.”
“Maar . . . . , maar . . . . . ” had Kors gestameld, “Ik kon er niets aan doen.
Rooie Goof . . . . . ”
“Ja, jij kan er nooit wat aan doen”, was moeder hem in de rede gevallen.
“En je hoeft niet altijd Goof de schuld te geven. Jij haalt ook wel eens wat uit.”
Kors had begrepen dat zijn moeder geen geduld meer had om te luisteren naar wat er echt gebeurd was. Toen had hij maar niets meer gezegd.
“Het is maar goed dat je vanmorgen zelf arnica gehaald hebt”, zei moeder nog.
“Dat komt nu gelijk van pas.”

Joris ligt die avond in bed nog lang wakker.
Hij denkt aan alles wat hij gehoord heeft van Alpher.
Reizen naar verre landen . . . . . Varen op een schommelend zeeschip . . . . .
Naar havens met vreemde mensen . . . . .
Ze zeggen dat er achter Keulen bergen zijn. En op die bergen staan stokken waar wijn aan groeit. Joris denkt erover na hoe dat kan, maar hij snapt het niet.
Alpher haalde uit Keulen ook zout.
Ze zeggen dat zout uit de bergen komt. Joris zou dat wel eens willen zien.
Er is nog zoveel te ontdekken in de wereld. . . . .
Eigenlijk zijn rooie Goof en zijn moeder ongelukkige mensen. Ze kunnen er ook niets aan doen dat ze zo arm zijn. Dat zegt moeder altijd.
Maar daarom hoeft die akelige knul nog niet zo lelijk te doen. . . . .
Buiten is het stil geworden.
’t Zand is leeg. De boeren zijn met hun wagens weer naar huis gegaan.
Als het donker is zijn alle mensen binnen.
Toch hoort Joris in de verte zingen en opgewonden stemmen.
Zeker die kerels uit de arme buurt, die ’s avonds liever in de taveerne zitten dan in hun schamele hut. Wat heerlijk dat hij in een mooi huis woont en een zacht bed heeft . . . . .
Dan slaapt hij.