Het ontstaan van Midholst

oeverwal
Midholst is een middeleeuwse Hollandse stad midden in het graafschap Markeland. Het stadje is mooi gelegen op een hoge oever van de Holster Maar. Die hoge oever is ook de reden van het ontstaan van het stadje.
In oude tijden toen de nog onbedijkte rivieren vrij door het land stroomden, zijn op sommige plekken oeverwallen ontstaan. Zand en slib dat door het stromende water meegenomen wordt, blijft bij overstromingen langs de buitenbocht van de rivier liggen, omdat de oever de stroming van de rivier afremt. Het zand bezinkt direct naast de rivierbedding, terwijl de fijne kleideeltjes verder meegevoerd worden. In de loop van honderden jaren wordt zo’n oeverwal steeds hoger.
Langs de noordelijke oever van de Maar is een oeverwal ontstaan van enkele kilometers lang en een paar honderd meter breed. Deze wal was tenslotte tussen de 1 en 1,5 meter hoger dan de omgeving. Rond 1400 is het hoogteverschil veel meer door het inklinken van het achterland. x3 oeverwalNu lijkt 1 á 1,5 meter niet veel, maar het betekende dat dit stuk grond bij hoogwater zelden meer overstroomde, wat in het erachter liggende land geregeld gebeurde. Daardoor was de oeverwal een aantrekkelijke plek om huizen te bouwen. De mensen voelden zich er een groot deel van het jaar veilig voor het water. Bovendien bleek de grond op de oeverwal zeer vruchtbaar te zijn en door de hoge ligging geschikt om akkers aan te leggen. Daarnaast konden in de rivier vissen gevangen worden. Vanaf de prehistorie is de oeverwal langs de Maar bewoond geweest door boeren en vissers.
Overigens hadden de mensen in die tijd een hard bestaan. Ze waren omringd door allerlei gevaren die velen het leven kostten. Als het stormde was er toch weer de dreiging van het water, dat akkers en huizen kon wegspoelen. Dagelijks was er de vrees voor kwade geesten die ziekte en ongeluk brachten. Alleen de sterksten overleefden de dagelijkse strijd om het bestaan.

x2 dorestad[2]

Romeinen
Deze situatie troffen de Romeinse legers aan toen zij via de rivier de Mares het land binnendrongen om het voor Caesar in bezit te nemen. De legionairs legden voor hun troepenverplaatsingen dijken aan langs de rivieren. Deze dijken sloten op een natuurlijke manier aan bij de oeverwallen. Dicht bij de nederzetting op de oeverwal langs de Mares, zoals de Romeinen de rivier noemden, was er een voorde. Via deze doorwaadbare plek sloot een weg uit het zuiden aan op de Romeinse heerweg van Thesorum naar het westen.
De nederzetting werd voor de Romeinen een strategisch punt, waar ze een klein legerkamp inrichtten. De nieuwkomers trokken de aandacht door hun kleding en door hun gebruiksvoorwerpen die de inheemse bevolking nooit eerder gezien had. Velen vonden het prachtig en sloten vriendschappen. Er waren zelfs mannen die gelokt door de voordelen dienst namen in het Romeinse leger. Maar nooit verdween het besef dat het eigenlijk vreemde indringers waren die de vrijheid bedreigden. Geregeld was er verzet als de bevolking belastingen opgelegd werden. Na het jaar 300 nam dat verzet steeds grotere vormen aan, waardoor de Romeinen het veiliger vonden deze verre uithoek van het rijk te verlaten.
Na het vertrek van de Romeinen raakten de wegen in verval. De nederzetting op de oeverwal bleef bestaan, maar opnieuw leidden de mensen er een zeer geïsoleerd bestaan op hetzelfde niveau als in de prehistorie.
Wat ook bleef was het heidendom. Diep in het binnenland was er in het ruige bosgebied een open plek tussen de bomen met in het midden een grote eikenboom. Hier kwamen mannen bijeen voor hun volksvergaderingen en om aan hun afgoden te offeren. Het leven werd nog altijd beheerst door de angst voor allerlei geesten die onheil konden stichten.

Markeland 1

kerstening
Dat veranderde toen rond het jaar 700 missionarissen uit Brittannië het klooster Kenterburg stichtten. Vanuit het klooster ondernamen de zendelingen tochten naar volksstammen in het noorden. Daarbij staken zij via de voorde bij de oeverwal de rivier de Maar over. Langzamerhand kregen de monniken contact met de boeren op de oeverwal. De boeren merkten dat de vreemdelingen verstand hadden van het ontginnen en bebouwen van de grond. Ze zagen in dat zij daar voordeel van konden hebben.
Toch bleven de boeren lange tijd zeer argwanend tegenover de mannen in de zwarte pijen. Dat kwam omdat zij vertelden over de God die zij dienden. Dat was een onbekende God, die hun voorouders nooit gediend hadden. De boeren waren niet bereid de overlevering van hun voorouders los te laten. Verder bleken de vreemdelingen wel aardige mensen te zijn. Ze hadden bovendien allerlei middeltjes tegen ziekten en kwalen. Daarom lieten de boeren op de oeverwal het toe dat de monniken voor zichzelf enkele gebouwen neerzetten in de nederzetting. Die gebouwen bestonden uit een eenvoudig woonhuis waar de ze konden overnachten en daarnaast een heiligdom voor hun God, een kapel noemden ze dat. Sindsdien verbleven er regelmatig enkele geestelijken in deze uithof van het klooster Kenterburg.
Na verloop van vele jaren voltrok zich langzaam een verandering onder de bewoners van de nederzetting. Mensen luisterden, kwamen tot het geloof, werden gedoopt en gingen deelnemen aan de erediensten in de kapel. Door het aannemen van het christelijk geloof werd ook het dagelijkse leven onder het gezag van de Bijbelse geboden gebracht. Hoewel de kerstening slechts moeizaam tot stand kwam, verdwenen toch op de duur allerlei ruwe heidense gebruiken.
pag 10

Thesinga
Eeuwenlang leidden de bewoners op de oeverwal een geïsoleerd bestaan. Ze wisten dat er verderop langs de rivier ook mensen woonden, maar daar kwamen zij maar zelden mee in aanraking. Ze hadden ook geen andere mensen nodig, omdat ze binnen de nederzetting alles hadden wat ze nodig hadden.
Het moet omstreeks 1100 geweest zijn dat er wat meer contact ontstond tussen de bewoners op de oeverwal en de mensen uit andere nederzettingen langs de Maar. In het oosten lag het plaatsje Thesinga bij de splitsing tussen de Maar en de Ee-stroom. Op deze strategische plek hadden de Romeinen destijds het grote castellum Thesorum ad Mares gebouwd. Bij dit castellum is een nederzetting van de inheemse bevolking ontstaan. Nadat de Romeinen weggegaan waren is ook de nederzetting grotendeels verlaten. Alleen een kleine kern ervan is blijven bestaan. Sindsdien bewoonden verschillende krijgsheren hier een versterkt huis, van waaruit zij de omgeving onder controle hielden. Na de vorming van het graafschap Markeland in de tijd van Karel de Grote werd Thesinga de woonplaats van de graaf. Het plaatsje ontwikkelde zich tot het bestuurlijk centrum van het graafschap. Door de toenemende kerstening van de bevolking kregen ook in Thesinga de monniken van Kenterburg voet aan de grond. Dat resulteerde in de bouw van een kerk en een Benedictijner klooster.
pag 4

Drechtstede
Ook ten westen van de nederzetting op de oeverwal langs de Maar is in de loop van de tijd een plaatsje ontstaan. Daar lag namelijk Drechtstede op de plek waar het riviertje de Drecht in de Maar stroomt. Deze nederzetting is ontstaan uit de vroonhoeve “De hof te Drecht”, die door heer Arnulf gebouwd is op een stuk grond dat door de monniken van Kenterburg is ontgonnen. (Dit is te lezen in “Een vroonhoeve in 947”)
De vroonhoeve heeft goede jaren meegemaakt, waardoor de bewoners na verloop van tijd een zekere welstand bereikt hebben. Ten dele kwam dat door gunstige weersomstandigheden, waardoor het gewas goed groeide. Er werd ook minder verwoest, doordat er in deze omgeving minder roversbenden rondtrokken. Maar de belangrijkste oorzaak van de vooruitgang lag in de consequente toepassing van het drieslagstelsel, dat sinds 800 steeds meer in gebruik kwam.
Voorheen werkten de boeren volgens het tweeslagstelsel. Dat hield in dat een boer zijn grond in tweeën verdeelde. Om de beurt lag de ene helft van de grond braak en werd de andere helft bebouwd, meestal met graan. Door een deel braak te laten liggen werd uitputting van de grond voorkomen. Het grote nadeel van dit systeem was de geringe opbrengst. Slechts de helft van de akkers leverde in goede jaren een oogst op. Bij misoogst had een boerengezin geen reserves om de winter door te komen.
Het was vooral de Frankische keizer Karel de Grote die de boeren stimuleerde volgens het drieslagstelsel te werken. Bij deze methode, verdeelde een boer zijn grond in drie stukken, die hij afwisselend volgens een driejarige cyclus bebouwde met zomergraan en met wintergraan, terwijl het derde deel een jaar braak bleef liggen. Door deze manier van werken leverde de grond op de duur meer op dan de bevolking van de hoeve nodig had. Er ontstonden overschotten die elders verkocht konden worden. Dit gebeurde niet alleen in de heerlijkheid aan de Drecht, maar ook in andere gebieden. Langzamerhand ontstond er wat handel tussen de nederzettingen. Dat was het begin van een nieuwe ontwikkeling.
7 drieslagstelsel licht

handel en ambachten
De autarkie van de geïsoleerde nederzettingen werd doorbroken. De oude in verval geraakte wegen van de Romeinen werden hersteld, zodat er weer wagens over konden rijden. De hof te Drecht profiteerde hierbij ook van de gunstige ligging aan het water. Via de Holster Maar, de Nieuwe Maar en de Vliet was de stad vanuit verschillende richtingen te bereiken. Dat trok mensen aan die in de handel een nieuw bestaan zochten.
Het ontstaan van landbouwoverschotten door de toepassing van het drieslagstelsel had nog een ander gevolg. Voorheen moest iedereen op het land werken om aan voldoende voedsel te komen. Dat was dus niet meer nodig. Daardoor was een deel van de mannen in de gelegenheid ander werk te gaan doen. Er waren er die handel gingen drijven, anderen gingen zich toeleggen op een bepaald handwerk. Zo zijn de ambachten ontstaan. Sommigen waren gericht op het levensonderhoud, zoals bakkers, slagers, wevers en kleermakers. Andere ambachten ontstonden door de opkomst van handel en verkeer, zoals wagenmakers, scheepsbouwers, zeilmakers en touwslagers. Al deze mensen vestigden zich rond de vroonhoeve. Zo is het plaatsje Drechtstede ontstaan.Markeland 2

Midholtstede
Ook het oude Thesinga maakte in deze tijd een belangrijke groei door. De ligging van dit plaatsje aan de splitsing van de Maar en de Ee-stroom bood perspectieven voor de ontwikkeling van de nieuwe tijd. Naast de dienaren van de graaf en de geestelijken die hier woonden, werd het stadje uitgebreid met handelaars en ambachtslieden. Door de handel ontstonden er steeds meer contacten tussen Drechtstede en Thesinga.
Hiervan profiteerde uiteraard ook de nederzetting op de oeverwal, die midden tussen deze twee plaatsen ligt. De oude Romeinse weg van Thesinga naar Drechtstede loopt over de oeverwal en het toegenomen scheepvaartverkeer over de Maar komt erlangs. Bovendien is daar de voorde waar de weg naar Kenterburg door gaat. Handelaars uit verschillende richtingen ontmoetten elkaar op de oeverwal. Dat leverde nieuwe bedrijvigheid op. Er kwam een taveerne, waar de doortrekkende handelaars konden overnachten en tegelijk onderling handel konden drijven. Er ontstond ook een bescheiden markt van landbouwgewassen. De komst van de handelaars trok ook hier op de handel gerichte handwerkslieden aan, zoals hoefsmeden, radmakers en zakkenmakers. De nederzetting op de oeverwal, die vanaf deze tijd Midholtstede genoemd werd, leek op weg te zijn om uit te groeien tot een stad. Om het plaatsje te beschermen tegen ongewenste vreemdelingen werd er een houten palissade omheen gebouwd.

pag 11

expansie
Na het jaar 1200 namen de nieuwe ontwikkelingen beduidend grotere vormen aan. Het was onder andere door de kruistochten dat de mensen uit de lage landen in aanraking kwamen met andere landen en volken. Daardoor maakten ze kennis met allerlei dingen die voorheen onbekend waren. Ze zagen stenen kastelen, mooie paleizen met glas in de ramen en wandtapijten in de zalen. Ze ontmoetten mensen gekleed in katoen, damast en zijde. Ze proefden nieuwe etenswaren: zuidvruchten, specerijen en rietsuiker. Teruggekeerde reizigers wilden ook in Markeland beschikken over de nieuwe dingen die ze gezien hadden. Dat inspireerde ondernemende lieden om handel te gaan drijven met verre landen. Ze reisden naar de landen rond de Middellandse Zee, maar ook naar Vlaanderen en de Oostzeelanden, waar al eerder de handel tot bloei gekomen was. Dat gaf een nieuwe impuls aan de ontwikkeling van plaatsen als Drechtstede.
Dit plaatsje bleek voor de nieuwe handel op een gunstige plek te liggen. Voor de reizen naar Vlaanderen en de Oostzeelanden werd een nieuw scheepstype ontwikkeld, namelijk de kogge. Dit schip is groter en sterker dan de schepen die voorheen gebruikt werden. Hiermee kunnen makkelijker grotere reizen gemaakt worden, terwijl het schip met een laadvermogen van 200 tot 250 ton veel meer vracht kan vervoeren dan de vroegere schepen. Verder waren de koggen de eerste schepen met een stevenroer, een roer dat aan het midden van de achtersteven is bevestigd. Voorheen werden alle schepen bestuurd met een stuurriem aan de rechterzijkant van het schip. De lengte van de eerste koggen was ongeveer 20 meter. Daardoor konden ze ook via de grote rivieren ver landinwaarts varen. Drechtstede is voor een kogge die van de zee komt makkelijk te bereiken via de Maar of via de bredere Grote Vliet. Voor handelaars werd Drechtstede een ideale plek om zich te vestigen. Het plaatsje groeide gestaag door de bouw van een groot aantal koopmanshuizen. Verder kwamen er aan de rivierkant scheepswerven, houtzagerijen, zeilmakerijen, kuiperijen en touwslagerijen.

pag 18

‘s Gravendrecht
In 1230 kreeg Drechtstede van graaf Rudolf stadsrechten. Dat hield onder andere in het recht om een stenen stadsmuur te bouwen.
Graaf Rudolf streefde daarbij ook zijn eigen voordeel na. Om de westelijke toegang tot het graafschap te verdedigen, bouwde hij aan de waterkant een stenen kasteel, dat uitsluitend bewoond wordt door een afdeling soldaten. Naast het kasteel verrees een tolhuis. Alle vreemde kooplui die het stadje over de weg of via de rivier passeren, moeten hier tol betalen. Als tegenprestatie hebben de hier gevestigde kooplui vrijstelling van tol gekregen.
Vanwege de grafelijke belangen in het stadje en de privileges voor de burgers, wordt de plaats tegenwoordig ’s Gravendrecht genoemd. het overgrote deel van de poorters heeft een bestaan in de handel opgebouwd of in een van de ambachten die rechtstreeks met de handel te maken hebben. ’s Gravendrecht is uitgegroeid tot de grootste stad in het graafschap, waar veel poorters een welvarend leven leiden.pag 17

Thijssingen
De ontwikkelingen in de handel hadden ook gevolgen voor Thesinga, hoewel in mindere mate dan voor ’s Gravendrecht. Via de Maar kunnen de koggen ook Thesinga bereiken, om hier hun kostbare vracht te lossen. Vanuit deze plaats varen rivierschepen verder over de Maar naar de graafschappen in het oosten en via de Eeste naar de gewesten in het noorden. Thesinga ligt op een gunstige plek voor de handel met het achterland. Daardoor is in deze plaats vooral handel met de omringende gebieden ontstaan en minder met landen overzee, zoals in ’s Gravendrecht.
Thesinga, of Thijssingen zoals de naam tegenwoordig luidt, is een stad met een gevarieerde bevolking geworden. Het is nog altijd in de eerste plaats het bestuurlijk centrum van Markeland. Dat betekent dat de stad plaats moet bieden aan de bestuursambtenaren en andere dienaren van de graaf. Daarnaast zijn er door de bouw van verschillende kerken en kloosters steeds meer geestelijken van allerlei orden binnen de stadsmuren gekomen. Verder hebben zich naast handelaars ook handwerkslieden van diverse ambachten in Thijssingen gevestigd. Het gevolg is dat de ruimte binnen de stadsmuren vol geraakt is. Er worden plannen gemaakt voor een nieuwe stadsmuur die een grotere ruimte omsluit.
Thijssingen is al met al een levendige stad. De ambtenaren, geestelijken, handelaars en ambachtslieden geven de stad een kleurrijk karakter. Verschillende huizen getuigen van de rijkdom van de poorters die er wonen. Overigens lopen er ook allerlei armen in de straten rond die met bedelen aan de kost proberen te komen.
pag 16

Midholst
Een tijdlang leek het erop dat ook Midholtstede op de oeverwal langs de Maar een grote toekomst tegemoet zou gaan. Immers, de nederzetting lag op het kruispunt van twee belangrijke wegen: de oude weg van Thijssingen naar ’s Gravendrecht en de weg uit het zuiden vanaf Kenterburg, die later doorgetrokken werd naar de plaatsen langs de Eeste. Voor de geestelijken uit Kenterburg was Midholtstede de dichtstbijzijnde plaats boven de Holster Maar, die via de voorde ook makkelijk te bereiken was. Zij hadden het plan Midholtstede tot een kerkelijk centrum te maken, van waaruit de noordelijke gewesten onder de macht van de kerk gebracht konden worden.
Tot omstreeks 1200 was Midholtstede inderdaad een ontmoetingsplaats van handelaars uit ’s Gravendrecht en Thijssingen en waren de zwarte pijen van de Benedictijner monniken een vertrouwd beeld in de straten. Het hoogtepunt van de ontwikkeling werd bereikt in 1264, toen het plaatsje van graaf Jan I stadsrechten kreeg. Bij die gelegenheid werd de naam Midholtstede veranderd in Midholst. In dat jaar is de houten palissade rond het stadje vervangen door een stenen muur met poorten, torens en een gracht. Midholst kreeg van de graaf ook het marktrecht.
Na die tijd stagneerde de groei echter. Door twee oorzaken is Midholst nooit een grote stad geworden.pag 19

verzanding
Toen na 1200 de handelaars grotere reizen gingen maken, werd het vervoer over de rivieren belangrijker dan het vervoer over land. Met een schip kun je meer vracht vervoeren en makkelijker grote afstanden afleggen dan met wagens over onverharde wegen. Nu lag Midholst wel aan de Holster Maar, maar deze rivier is in de loop van de tijd steeds minder geschikt geworden voor scheepvaart. In de Romeinse tijd was de “Mares Superior” nog een brede stroom. Dat werd anders toen bij het latere Kenterburg de nauwelijks bedijkte rivier door haar oevers brak en de Nieuwe Maar ontstond. Vanaf die tijd stroomde er minder water door de Holster Maar. Vervolgens trad aan het begin van de Holster Maar een verzanding op, waardoor de stroom steeds smaller en ondieper werd. Tenslotte was de Holster Maar voor de grotere schepen die na 1200 gebruikt werden onbevaarbaar. De koggen voeren van Thijssingen via de hoofdstroom van de Maar naar ’s Gravendrecht en de rijkdommen die zij meevoerden, gingen Midholst op een grote afstand voorbij.Markeland 3

stadsbrand
De tweede tegenslag die Midholst te verwerken kreeg, was de grote stadsbrand in 1397. De brand die in een straat achter de kerk ontstond, greep razendsnel om zich heen. De meeste huizen waren van hout en leem opgetrokken en met stro gedekt. De daken vatten direct vlam door overwaaiende vonken. In het begin probeerden de poorters nog te blussen door in een lange rij te gaan staan en emmers met water uit de gracht door te geven naar de voorsten, die het water in het vuur wierpen. Maar al gauw werd duidelijk dat er geen redden meer aan was. Er zat niets anders op dan de stad te verlaten om het vege lijf te redden en verder te wachten tot de brand was uitgewoed. Toen bleek dat een groot deel van de stad verwoest was. Alleen de huizen die niet in de windrichting stonden waren ongedeerd. Van het Benedictijner klooster en de Agnietenkapel was niets meer over. Ook de pas gebouwde Sint Eligiuskerk was ingestort. Alleen de toren was op een onbegrijpelijke wijze aan het vuur ontsnapt. De meeste poorters waren dakloos geworden.
Met grote ijver werd begonnen met de herbouw van de stad. Toch werd niet alles weer opgebouwd. Verschillende kooplui zagen er geen perspectief in om in Midholst een nieuw bestaan op te bouwen. Zij vertrokken naar ’s Gravendrecht, waar de koggen de stad konden bereiken. Ook de meeste Benedictijnen kwamen niet terug. Het klooster in Midholst had al voor de brand aan betekenis ingeboet, sinds in Thijssingen verschillende kloosters gevestigd waren. Voor de kerk was Thijssingen inmiddels belangrijker geworden dan Midholst. Daarom werd het klooster in Midholst niet meer herbouwd.
Door al deze veranderingen kreeg het nieuwe Midholst een ander karakter dan de oude stad. Het werd een provinciestadje met wat handel in de directe omgeving. De meeste poorters vonden een bestaan in een of ander ambacht. Alleen de naar verhouding veel te grote toren tussen de eenvoudige huizen herinnert nog aan de ambitieuze plannen van weleer.
pag 20

rampen
De tijd tussen 1200 en 1400 is voor Markeland een bewogen periode geweest. Enerzijds is mede door de handel het leven voor velen welvarender geworden, anderzijds waren er ook zware beproevingen.
Behalve de stadsbranden, waarmee de meeste steden te maken kregen, waren er uitbraken van de pest. Bij de stadsbranden gingen wel veel huizen verloren, maar de meeste poorters wisten doorgaans te ontkomen. Anders was dat bij de pest, waardoor rond 1350 verschillende plaatsen in Markeland getroffen werden. Deze ziekte, die ook wel de “Zwarte Dood” genoemd werd, was zeer besmettelijk en had altijd een dodelijke afloop. Wie erdoor getroffen werd, stierf binnen enkele dagen. De pest was afkomstig uit Azië en werd door handelscontacten verspreid in Europa. Naar schatting is rond 1350 een derde deel van de bevolking van Europa door deze vreselijke ziekte omgekomen.
Het vuur en de pest waren zware beproevingen, waartegen men vaak niet veel kon doen. Kwalijker was het dat juist in dezelfde eeuw allerlei partijschappen ontstonden. Edelen waren afgunstig op de rijkdom en de groeiende macht van de steden. Zij stonden soms als aartsvijanden tegenover elkaar. Een geringe aanleiding was voor de edelen vaak al genoeg om een stad te straffen met een belegering. Burgers uit de steden namen wraak door de landerijen van de edelen in brand te steken. Eindeloos lang konden de ruzies doorgaan. En het landvolk leed daaronder. Strijdende partijen vertrapten het graan op de akkers en staken door vlijt verkregen rijkdommen in brand. De partijtwisten vormen een zwarte bladzijde in een tijd, waarin het land reeds door brand en pest geteisterd werd.

pag 21

1412
Het wekt bewondering dat de Markelanders na elke ramp de moed hadden hun leven weer op te pakken en te herstellen wat verloren is gegaan.
Als we nu in 1412 rondkijken in Markeland, zien we toch een redelijk welvarend graafschap. De meeste moerassen en woeste gronden zijn ontgonnen en voor de landbouw geschikt gemaakt. De Kentenerwaard is geheel ingepolderd, vooral door toedoen van de monniken van Kenterburg. Er zijn verschillende steden die ieder een eigen karakter hebben. Kenterburg is de stad waar het leven zich richt op kerk en klooster. Thijssingen, de oudste stad van het graafschap, is altijd de belangrijkste stad gebleven. Behalve woonplaats van de graaf is het de stad van geestelijken, handelaars en ambachtslieden. ’s Gravendrecht is de welvarende handelsstad met het grootste aantal poorters.
De tijden van woeste wildernissen en het onbeschaafde heidendom zijn lang voorbij. In 14 eeuwen is Markeland een beschaafd graafschap geworden, als we tenminste de barbaarse partijtwisten niet meetellen.
En midden in het graafschap ligt, omgeven door muren en grachten, het stadje Midholst. In 1412 telt het niet meer mee in de rij van belangrijke plaatsen in het graafschap. De geschiedenis heeft voor Midholst een andere wending genomen. Toch is Midholst nog altijd een boeiend stadje. Het middeleeuwse leven is er volop aanwezig. Dat is te zien aan de huizen van het stadje, die de sporen van de ontwikkelingen van de voorbije eeuwen laten zien. Wie daar meer van wil weten, kan het lezen in “Een wandeling in 1412.”
pag 22 verkleind