Inleiding: ’t Zand

stukje van Midholst
In het artikel “Het ontstaan van Midholst” wordt verteld hoe op een oeverwal langs de rivier de Maar een nederzetting ontstaan is, die later is uitgegroeid tot het stadje Midholst. In dat verhaal is ook het een en ander te lezen over de plaatsen in de omgeving van dit stadje. De beschrijving van de geschiedenis en de omgeving van Midholst vormt de achtergrond van het verhaal dat hierna volgt. In dit artikel richten we de blik niet meer naar buiten, maar kijken we rond binnen de muren van het stadje. We doen dat door een wandeling te maken door een gedeelte van Midholst, namelijk de omgeving van ’t Zand. Het gaat hier om een interessant stukje van de middeleeuwse stad. ’t Zand ligt langs de Oude Gracht op korte afstand van de Grote Markt. Het is interessant omdat hier oude en nieuwe huizen dicht bij elkaar staan. Hier wonen zowel rijke poorters als arme bedelaars.
stadsbrand
De oorzaak van het grote verschil in huizen is eigenlijk een treurige geschiedenis. Vroeger stonden hier hoofdzakelijk lemen en houten huizen. Een hevige stadsbrand in 1397 legde echter een aanzienlijk deel van Midholst in de as. Een groot aantal huizen ten westen van ’t Zand ging verloren. Van de kapel en het klooster bleven slechts ruïnes over. Tientallen poorters die al hun bezit verloren waren, vervielen tot armoede. Ze bouwden hutten om in te wonen en gingen uit bedelen om in leven te blijven.
Nadat de restanten van de verbrande huizen opgeruimd waren, werd de lege plek gebruikt om nieuwe huizen te bouwen. Het waren vooral de rijken die hier de gelegenheid vonden een mooi stenen huis neer te zetten. Zo ontstonden de brouwerij en het schepenhuis. Daarachter wordt nog gebouwd aan een nieuw timmermanshuis. Zo komt het dat nu in 1412 oud en nieuw, arm en rijk hier zo dicht bij elkaar staan.

ontwikkeling
Interessant is daarbij dat aan de huizen rond ’t Zand de ontwikkeling te zien is van de middeleeuwse huizenbouw. We volgen in onze rondgang de bouwgeschiedenis. Eerst zien we de vakwerkhuizen van leem, daarna van hout. Vervolgens zien we dat er steeds meer steen gebruikt wordt. Tenslotte komen we bij de volledig stenen huizen aan.
’t Zand ligt langs de Oude Gracht, die in verbinding staat met de Holster Maar. Vroeger was de Oude Gracht de haven van de stad, waar schippers uit verre windstreken hun goederen losten. In die tijd stond er op ’t Zand een grote tredradkraan. Sinds de verzanding van de Holster Maar kunnen echter alleen nog de kleine schepen van rivierschippers de stad bereiken. Dicht bij de rivier is voor deze schepen een nieuwe buitenhaven gegraven. Daardoor heeft de Oude Gracht zijn betekenis als haven verloren. De gracht is een stuk smaller gemaakt en de grote kraan die in verval raakte is afgebroken. Nu liggen er langs de kade enkel wat kleine bootjes.
bedrijvigheid
Zoals de naam al aangeeft is ’t Zand een niet-bestrate plaats. Op deze ruime plek bij de Oude Gracht zetten de boeren hun wagens als ze naar de markt gaan. In de smalle straatjes van de stad is namelijk geen ruimte om al die grote wagens te parkeren.
’t Zand is een plaats waar allerlei mensen komen. Naast de mensen die hier wonen, komen er geregeld boeren die hier hun wagens stallen of naar de smid of de radmaker gaan. De taveerne is een ontmoetingsplek voor de rivierschippers als hun schuiten in Midholst aan wal liggen, maar ook de boeren komen er vaak na een marktdag. Poortersvrouwen uit de buurt doen hun inkopen bij de bakker en de kruidenverkoper. Handelaars komen naar ’t Zand om zaken te doen met de lakenwever, de blauwverver of de bierbrouwer. Weer andere poorters zie je naar binnen gaan bij de schrijnwerker of de zakkenmaker. Arbeiders van het zakkendragers gilde sjouwen zware vrachten over ’t Zand. In het schepenhuis zijn vaak bijeenkomsten van stadsbestuurders. Bedelaars komen graag hierheen in de hoop van de rijken een aalmoes te krijgen. Kinderen spelen op het ruime plein hun spelletjes of kijken naar de bedrijvigheid op de kade. Kortom, ’t Zand is een plek waar voor iedereen wat te beleven is.
Taveerne ‘De Dubbele Roemer’

constructie
We beginnen de rondgang langs de huizen aan de oostkant van ’t Zand. Het eerste huis dat we daar zien is tevens het oudste huis van dit deel van de stad. Het is een zaalhuis, zoals dat rond 1400 nog veel voorkwam en tot het begin van de 16e eeuw bestaan heeft.
Het is een huis met een ankerbalkgebint. Een gebint bestaat uit twee verticale stijlen en een horizontale dwarsbalk. De vijf gebinten van dit huis zijn duidelijk te zien. De benaming ankerbalkgebint geeft aan dat de twee dwarsbalken niet op de stijlkoppen liggen, maar iets lager tussen de stijlen geplaatst zijn en daaraan met een doorgestoken pen met wiggen verankerd zijn.
De zijmuren zijn gevormd door de vakken tussen de stijlen op te vullen met vlechtwerk van takken en twijgen, dat met leem is bestreken. Daarom wordt dit huis een vakwerkhuis genoemd. Ook de voor- en achtergevel zijn in vakwerk opgebouwd.
Binnen bestaat het huis uit één ruimte, die de zaal genoemd wordt, Dat lijkt nogal een groot woord voor zo’n eenvoudig huis. Maar het woord zaal (of saal, sale, sael) heeft oorspronkelijk de betekenis van woonplaats of woning. Later werd met dit woord het grootste vertrek in een burcht of klooster bedoeld, zoals bijvoorbeeld de ridderzaal. De zaal is dus de ruimte waar je woont. Vandaar dat vervolgens bij elk huis de grote binnenruimte zaal genoemd wordt.
In het midden van de zaal is de stookplaats. Dat is niet meer dan een open vuur op de lemen vloer. Midden in het strodak zit een rookgat. Door dit gat en door andere kieren moet de rook van het vuur wegtrekken. Om die reden kon er geen zoldervloer op de gebinten gelegd worden.

bewoner
In dit huis heeft Aelt Kanne een morsige taveerne voor schippers en boeren. Aelt is vroeger zeeman geweest. Hij heeft als bootsman op een kogge uit ’s Gravendrecht heel wat reizen gemaakt. Die reizen hadden een verre bestemming. Jaarlijks voeren de koggen ommeland naar Oostland. Dat wil zeggen om Denemarken heen naar de landen rond de Oostzee. Vaak was de zuidpunt van Zweden het doel van de reis. Op het schiereiland Skanör ontmoetten de ommelandvaarders kooplieden van de Hanzesteden, zoals Lübeck en Rostok. Dan werd er gehandeld. Beladen met kostbare vracht kwamen de koggen weer terug.
Toen Aelt oud werd en het reizen hem te zwaar begon te worden, trok hij zich terug in Midholst, zijn geboorteplaats. Hij kocht er een oud huis en richtte dat in als taveerne.
Als nu de rivierschippers op een avond bij Aelt gezelligheid zoeken, vertelt hij soms over zijn belevenissen in de verre landen en steden waar hij geweest is. Verhalen over de ontberingen op zee, maar ook verhalen over de rijke haringvangsten bij Skanör, over de prachtige handelsstad Visby op Gotland, over het verre Novgorod en de overvloedige korenoogsten in Estland. Dan horen de schippers soms heimwee in zijn stem. Op zulke avonden wordt even de armoede van het dagelijkse bestaan vergeten.
Dat dit huis een taveerne is, is aan de buitenkant slechts te zien aan het uithangteken: een wijnkan en een krans van wijngaardbladeren. Het spreekwoord “Goede wijn behoeft geen krans” kent Aelt waarschijnlijk niet. De waard heeft zijn drinkhuis “De Dubbele Roemer” genoemd. Hoewel een roemer een wijnglas is, wordt hier meest scharrebier geschonken. Dit “kleine” of “dunne” bier smaakt volgens sommigen “of het een hele nacht in ’t water heeft gedreven.” Het alcohol- percentage is namelijk heel laag.
Aan de zijgevel van het huis hangt een ladder. Dat is volgens een keur (voorschrift) van het stadsbestuur verplicht ter bestrijding van brandgevaar. In het keurboek staat namelijk:
“Voorts sal ygelic huys, mit stroo gedeckt, een leder hebben,
die reycket totten dake desselven huys.”
Die ladder moet dus gebruikt worden om een brandend strodak met emmers water te kunnen blussen. Het is goed bedoeld, maar regelmatig blijkt dat het volstrekt onvoldoende is voor het redden van een brandend huis.
Blauwververij ‘In de Drije Roggen Broden’

constructie
Het huis naast de taveerne is ook een vakwerkhuis. Het heeft eveneens een ankerbalkgebint met vakwerk dat gevuld is met vlechtwerk en leem. Alleen de geveltoppen zijn van hout. Binnen bestaat het huis uit één onverdeelde ruimte en in het dak zit een rookgat. Opvallend is de schuine plattegrond. De oorzaak daarvan is dat er tussen de huizen links en rechts geen ruimte was om een recht huis te bouwen. Het huis heeft dus de vorm van het schuine perceel.
kleurstof
Bertram Korsenzoon de blauwverver is de bewoner van dit huis. Zijn werk is geweven stoffen die nog kleurloos zijn, blauw verven. De kleurstoffen die voor het verven gebruikt worden, zijn afkomstig van natuurlijke materialen, vooral delen van planten. Een bekende kleurstof is meekrap, een rode kleur die gemaakt wordt uit de wortel van de meekrapplant.
De grondstof voor blauwe verf is wede. Wede is een tweejarige plant, die 1 meter hoog wordt en bloeit met gele bloemen. Het is een gewas dat in het verre Thüringen op de velden rond meer dan 300 dorpen verbouwd wordt. De 15 tot 30 centimeter lange smalle bladeren worden geoogst, gewassen, gedroogd en vermalen tot plantenmoes, die samengeperst wordt tot ballen. Op de markt in Erfurt verkopen de boeren de wedeballen aan handelaars, die zorgen voor verdere verwerking in de wedeschuren. Hier worden de ballen uiteen gehaald. Daarna wordt de massa bevochtigd met water en urine(!), en regelmatig door elkaar geschept. Door gisting ontstaat in de plantenmoes de blauwe kleurstof Dit proces duurt enkele maanden. Vervolgens wordt de blauwe verfpoeder verpakt in houten tonnen en verkocht in alle omringende landen. De wedehandel is een rijke inkomstenbron. Het levert Thüringen jaarlijks drie ton goud op.

gilde
Handelaars verkopen de wede aan kunstschilders en aan blauwververs, zoals Bertram. De meeste verfstof wordt gekocht door de ververs. Zij gebruiken maar één kleur, maar wel in grote hoeveelheden. Er is heel wat nodig om de lappen stof van wol en linnen te verven.
Evenals alle ambachtslieden kreeg Bertram zijn opleiding in het vak volgens de regels van het gilde. Als leerling leerde hij de eerste beginselen van het verven bij een blauwverver in Midholst. Daarna werkte hij als gezel bij een verver in Thijssingen, die hem de fijne kneepjes bijbracht. Daar heeft hij ook zijn meesterproef gemaakt, waarna hij als meester-verver een eigen bedrijf kon beginnen in Midholst.
Zijn bedrijf staat onder het strenge opzicht van het weversgilde, dat door allerlei voorschriften een goede kwaliteit van de producten wil waarborgen. Eén van die voorschriften is:
“De Staalmeesters mogen blauwe lakens doorsteeken,
deselve niet doorblauwt sijnde, laten die ongestaalt.”
Dat wil zeggen dat de keurmeesters van het gilde moeten controleren of de stof wel door en door blauw is. Als dat niet zo is, mogen ze er niet het goedkeuringsmerk aan geven.
naam
Om iedereen te laten weten dat in dit huis een blauwverver zijn bedrijf heeft, heeft Bertram een uithangteken aan de gevel opgehangen. Hierop is op een witte baan tussen twee blauwe stroken een blauwe voorschoot geschilderd.
Bertram heeft zijn huis een merkwaardige naam gegeven. Het heet: “In de Drije Roggen Broden.” Die naam herinnert aan de omstandigheden waaronder hij het huis kocht. Dat was tijdens de belegering van Midholst in 1390. Een leger van edelen uit de Overmarke belegerde Midholst in de strijd om de macht van de graven van Midholst in te perken. Tijdens deze belegering, die enkele maanden duurde, waren de levensmiddelen in de stad zo schaars geworden, dat de vorige eigenaar het huis voor drie roggebroden aan Bertram verkocht heeft.
Zakkendragershuis

constructie
We lopen verder het straatje Leemhuizen in. Naast de blauwververij staat een huis dat op dezelfde manier gebouwd is als de vorige twee. De bouw van dit vakwerkhuis is nog niet klaar, want de muren zijn nog niet helemaal met leem bestreken. Daardoor is het vlechtwerk van takken en twijgen nog duidelijk te zien.
Dit huis is een kort zaalhuis. De zijmuren bestaan uit slechts drie balkvakken. Een verschil met de vorige twee huizen is de constructie van het gebint. Dit is een zogenaamd “dekbalkgebint”. De dwarsbalken liggen namelijk op de koppen van de stijlen. Deze eenvoudige bouwwijze is eigenlijk ouder dan het ankerbalkgebint.
zakkendragers
Dit huis is het gildehuis van het zakkendragers gilde en tegelijk het woonhuis van de deken Bouwe Menes. Er is heel wat mankracht nodig om de goederen die met wagens en schepen vervoerd worden te versjouwen. In Midholst geldt de regel dat het dragen van “bier, laken off enigh ander goet” uitsluitend gedaan mag worden door de leden van het zakkendragers gilde, die poorters van de stad moeten zijn. Rijk worden de zakkendragers er niet van. Vandaar dat ze slechts een eenvoudig lemen huis als gildehuis kunnen bouwen. Om als gildehuis te kunnen functioneren, zal er aan de voorgevel nog een bel opgehangen worden. Deze bel wordt in het vervolg geluid als er in de haven een schip gelost of geladen moet worden. Dan komen de zakkendragers uit de buurt naar het gildehuis. Als er teveel mannen komen opdagen, wordt er in het gildehuis om gedobbeld wie het karwei mag uitvoeren.
Het enige waaraan op dit moment te zien is dat dit huis het zakkendragershuis is, is het bord aan de voorgevel met de afbeelding van St. Christoffel, de schutspatroon van het gilde.
streek
Overigens, al siert een beeld van een beschermheilige het huis, zakkendragers zijn over het algemeen niet de meest beschaafde lieden. Dat geldt zeker voor Bouwe. Vooral in zijn jonge jaren was hij een ruige sterke kerel, die niet terugdeinsde voor een gewaagde grap. Samen met Deric, die nu zijn overbuurman is, heeft hij heel wat streken uitgehaald.
Eén van die streken zal Huych de Brouer niet snel vergeten. Bouwe en Deric hadden voor de brouwer een partij volle biertonnen naar de haven gebracht. Toen ze terugkwamen om hun loon te halen, gaf de brouwer hen niet zoals afgesproken twee en een halve stuiver per man, maar voor hen samen. Teleurgesteld en boos waren ze naar huis gegaan. Het was niet de eerste keer dat de gierige brouwer hen bedrogen had. Ze mochten die humeurige dikke man toch al niet, maar nu was de maat vol.
Op een donkere avond namen ze wraak. Zoals vaker gebeurde, had de brouwer lege biertonnen voor zijn huis op straat laten staan. Bouwe en Deric zetten drie tonnen op elkaar voor de deur van de brouwerij. De bovenste hadden ze gevuld met mest van één van de vele mesthopen in de stad. Die ton zetten ze schuin op de tweede tegen de deur aan. Toen de brouwer de volgende morgen de deur open deed, kreeg hij een volle laag mest over zich heen. De vieze drab stroomde over de schoongeboende plavuizen van de brouwerij. Woedend was hij. Schreeuwend en tierend kwam hij naar buiten “Wie heeft dat gedaan? Zeker weer dat schorem van de Leemhuizen. Zulk ontuig!”
De hele buurt kwam kijken wat er aan de hand was. Ze zagen de deftige bierbrouwer besmeurd met druipende drek met gebalde vuisten voor zijn huis staan. Bouwe en Deric waren wijselijk uit de buurt gebleven. Toen ze hoorden dat hun opzet gelukt was, lachten ze zich de tranen in de ogen.
Jammer genoeg kwam het uit dat zij de daders waren. Ze werden in het stadhuis voor de schepenen gebracht. Als staf moesten ze een hele dag in een ijzeren kooi op de markt te kijk staan. Iedereen mocht viezigheid naar hen gooien. Daarna moesten ze volgens het vonnis van de schepenen ieder honderd boetestenen aan de stad leveren. Die stenen had het stadsbestuur nodig voor de bouw van de waag. Er werd niet bij gezegd waar zij dien stenen vandaan moesten halen. Ze hebben de stenen gebracht. Niemand heeft ernaar gevraagd hoe ze eraan gekomen waren.
De bierbrouwer ging na die dag toch wat eerlijker met de sjouwers om. Hij had blijkbaar zijn lesje geleerd.
Daglonershuis
constructie
Schuin tegenover het zakkendragershuis staat een klein huisje dat er opvallend netjes uitziet. Het is een vakwerkhuisje met een houten voorgevel, gedekt met een mooi gevormd strodak. Dit type huis is al eeuwenoud.
Opvallend zijn in het dak aan de voor- en achterkant de rookluiken, die vlak onder de nok zitten. Deze oude constructie is zeer doeltreffend. De rookluiken worden geopend naar gelang de windrichting is. Komt de wind van achter het huis, dan wordt het achterste luik gesloten, zodat de wind niet recht in het huis waait. Het voorste luik wordt geopend. Door de luchtstroming langs het dak ontstaat er een trek, waarbij de rook van het vuur uit het huis getrokken wordt
bewoner
De bewoner van dit huis is Deric Aeriensz, die we in het vorige verhaal al tegenkwamen. Na zijn trouwen is hij zijn wilde haren wel wat kwijtgeraakt, maar nog altijd hoort hij bij de armen van de stad.
Deric is een sterke kerel met twee rechterhanden. Hij verdient als dagloner de kost. Soms werkt hij voor zijn overbuurman Bouwe Menes als zakkendrager. Dat gebeurt vooral op dagen waarop een schip geladen of gelost moet worden. Op andere dagen rijdt hij mee op de wagen van de brouwerij, om tonnen bier weg te brengen. Het gebeurt echter vaker dat hij ver van huis is. In de oogsttijd is hij te vinden op boerderijen tot in de wijde omtrek van Midholst. Dan is er op het land altijd werk voor een flinke kerel. Een tijdlang heeft hij gewerkt voor een strodekker, waardoor hij de fijne kneepjes van dit vak geleerd heeft. In de wintertijd heeft hij het slecht met zijn vrouw en drie kinderen. Dan is er vaak geen werk en zit hij dagenlang thuis.
sober
Een dagloner heeft geen rijk bestaan. Dat is wel te zien aan het eenvoudige huis, dat van binnen uit één ruimte bestaat. De inrichting daarvan is zeer sober. In die ene ruimte leeft het gezin samen met enkele geiten, waarvoor in het achterste deel een hok getimmerd is. Dat het huis er toch netjes uitziet, komt door de werklust van Deric. Nog niet lang geleden heeft hij het oude ingezakte dak vervangen. Het is te zien dat hij bij de strodekker een goede leerschool heeft gehad. Stro voor het dak kon hij voordelig kopen van een boer voor wie hij vaak gewerkt heeft.
Om in het levensonderhoud van zijn gezin te voorzien, heeft hij naast zijn huis een moestuin. Daar staat ook een schuurtje, waarin hij elk jaar een varken vetmest, dat in november geslacht wordt. Door zuinig te leven heeft hij net genoeg vlees en gedroogde en ingemaakte groenten om de winter door te komen. Het werk in de tuin wordt het meest gedaan door zijn vrouw Hille, omdat dat moet gebeuren in de zomertijd, wanneer Deric vaak lange dagen van huis is.
Smederij en paardenstalling ‘Bij Sint Elooi’

constructie
We lopen het straatje Leemhuizen weer terug naar ’t Zand en zien tegenover de taveerne nog een lemen huis. Dit is echter geen woonhuis, maar alleen maar een werkplaats. Het gebouw heeft een dubbele functie. Het voorste deel is een smederij, daarachter is een paardenstal.
De smederij heeft net als de vorige huizen lemen muren. De voorgevel is grotendeels van hout. De paardenstal is geheel van hout gebouwd. Het hele gebouw is gedekt met een strodak.
smid
De smederij is de werkplaats van Crijn de Smit, die een paar straten verderop in Midholst woont. Crijn heeft een zeer oud beroep. Smeden zijn er al sinds de mensen in de prehistorie ijzer begonnen te bewerken. In de loop van de tijd gingen de smeden zich specialiseren in één onderdeel van het vak. Ze werden hoefsmid, grofsmid, wapensmid, edelsmid of nog weer iets anders. Crijn is maar een eenvoudige smid, die geen sieraden maakt. Hij maakt ook geen wapens. Dat is zelfs verboden. Wapens worden uit het buitenland ingevoerd, want daar zitten de wapensmeden.
Crijn is hoefsmid en grofsmid. Voor een hoefsmid is er werk genoeg op ’t Zand in Midholst, waar de boeren uit de omgeving hun wagens stallen als zij naar de stad gaan. Om een paard te beslaan staat er naast de werkplaats een travalje. Een grofsmid maakt allerlei ijzeren gebruiksvoorwerpen, zoals scharnieren en grendels voor deuren; vleesvorken, messen, tangen en driepoten voor de haard, maar ook gereedschappen voor boeren: ploegen, schoppen, harken en schoffels. Voor de radmaker tegenover de smederij maakt hij assen en wielbeslag. Een smid is onmisbaar voor het dagelijks leven in een stad als Midholst.
smederij
De zwart beroete werkplaats van Crijn ziet er eenvoudig uit. Aan de rechterkant is een bakstenen haard met een schoorsteen. Daarachter hangt aan de zoldering de grote blaasbalg, die uitmondt bij het vuur. Door de toevoer van zuurstof wordt het vuur heet genoeg om een stuk ijzer zacht te laten worden. Met een tang legt de smid het roodgloeiende ijzer op het aambeeld, waar hij het met een hamer in de gewenste vorm brengt. Daarna koelt hij het gesmede ijzer af in een bak met water, die naast de haard staat. Op de zolder boven de smidse is de opslag voor ijzer. Daar ligt ook houtskool om het vuur te stoken.
brandgevaar
De werkplaats van Crijn de Smit is een oud gebouw. De lemen muren en het strodak dateren uit een tijd waarin er nog weinig rekening gehouden werd met brandgevaar. Destijds golden alleen de regels dat een smidse niet tussen andere huizen mocht staan, dat er water in de buurt moest zijn en dat het gebouw een stenen schoorsteen moest hebben. Daarom staat de smederij op een aparte plek op ’t Zand en dicht bij de gracht. Volgens de opvattingen van de huidige magistraat is het echter niet toelaatbaar dat een smidse een strodak heeft.
De schepenen hebben Crijn al een paar keer vermaand om het strodak te vervangen door een pannendak, maar Crijn heeft steeds geantwoord dat hij dat niet kan betalen. Kort geleden kwam het stadsbestuur echter met het aanbod gratis dakpannen te verstrekken aan poorters die hun strodak willen afbreken. Daarom heeft Crijn besloten binnenkort het dak te gaan verbouwen. Zoals we verderop nog zullen zien, heeft de kruidenverkoper dat al eerder gedaan. De enige middelen om een brand te bestrijden, zijn op dit moment een ladder tegen de zijmuur en aan de waterkant achter het huis een paal met een hefboom, waarmee emmers water uit de gracht geschept kunnen worden.
paardenstal
Crijn is niet alleen smid, hij is ook stalhouder. In de stal achter de smidse verzorgt hij de paarden van poorters die bij hun woonhuis geen stal hebben, zoals de bierbrouwer en de schepen op ’t Zand. Zij stallen hun paarden bij Crijn, die tegen betaling voor de dieren zorgt.
Naast de stal is een open schuur, waar ook paarden kunnen staan, maar dat is geen nachtverblijf. Naar deze stal brengen boeren en reizigers hun paarden, als zij naar de stad gaan en hun wagens op ’t Zand achterlaten. Vooral op marktdagen is het hier druk.
De paardenstalling levert Crijn wat extra inkomsten op. Hij wordt er niet rijk van, maar dat vindt hij niet erg, want hij doet dit werk graag. Als jongste zoon van een boer uit de omgeving van Midholst kon Crijn zelf geen boer worden. Zijn broer zette de boerderij van vader voort. Wel had hij van huis uit liefde voor dieren meegekregen, vooral voor paarden. Daarom is hij hoefsmid geworden. Van een oude smid in Midholst heeft hij het vak geleerd. Nu is hij in zijn werk als hoefsmid en stalhouder dagelijks met paarden bezig.
sint Elooi
De smederij draagt de naam “Bij Sint Elooi”, naar de beschermheilige van het gilde van de smeden. St. Eloy of Eligius was rond 600 als goudsmid en muntmeester in dienst van enkele Frankische koningen. Later werd hij bisschop. Hij heeft veel gedaan voor de uitbreiding van het christelijk geloof en de kerk. Als muntmeester had hij altijd geld tot zijn beschikking, wat in die tijd uitzonderlijk was. Dat geld gebruikte hij om slaven vrij te kopen en daardoor de werken van de barmhartigheid in de praktijk te laten zien. Ter ere van zijn nagedachtenis hebben de smeden hem als schutspatroon van hun gilde gekozen en noemde Crijn zijn eenvoudige werkplaats naar hem.
Radmakerij ‘Bij ’t Zand’

constructie
Tegenover de lemen huizen zien we een huis met een werkplaats ernaast. Dit huis is volledig van hout gebouwd en gedekt met een strodak. Eigenlijk is het ook een vakwerkhuis. Het verschil met de vorige huizen is dat het balkengeraamte aan de buitenzijde betimmerd is met planken. Daardoor zijn de gebinten aan de buitenkant niet te zien.
Een ander verschil is dat dit huis een stenen schouw en een schoorsteen heeft voor de afvoer van de rook van het vuur. Daardoor was het mogelijk in dit huis een zoldervloer te maken.
Tegenwoordig is het verplicht in een huis een stenen schoorsteen te bouwen. Ongeveer twintig jaar geleden heeft het stadsbestuur daarvoor een voorschrift uitgevaardigd:
“Nyemant sal ennige ny huyse tymmeren off doen tymmeren bynnen der statt,
hy en sal eenen steynen schoerensteen daer aen hebben, baven then dake uytgaende.”
Deze keur is bedoeld ter bestrijding van het brandgevaar. Bij de stadsbrand zou blijken hoe belangrijk dat is.
radmaker
Het huis is eenvoudig, maar niet armoedig. De eigenaar van het huis, Obbe Werners, maakt hier wielen, zoals te zien is aan het uithangteken aan de gevel. Oorspronkelijk diende het voorste deel van het huis als werkplaats. Daar was echter te weinig ruimte voor grote wielen. Daarom heeft Obbe een aparte werkplaats naast het huis gebouwd.
Obbe maakt wielen voor karren en wagens. Het verschil tussen deze twee is dat een kar twee wielen heeft en een wagen vier. Soms werkt Obbe op bestelling van een boer uit de omgeving of van een bedrijf uit Midholst dat over een wagen beschikt, maar meestal maakt hij de wielen voor handelaars, die ze op markten verkopen.
Buiten op het grote hakblok worden stukken eiken stam met een bijl en wiggen gekloofd en tot de ruwe vorm van naven en spaken gehakt. De naven worden binnen afgewerkt op een met de hand aangedreven draaibank. De velgstukken worden met een draaizaag uit dikke houten platen gezaagd. Het geheel wordt zorgvuldig samengevoegd tot een wiel. De wielen worden vervolgens naar een smid gebracht, die ze van ijzeren naaf- en velgringen voorziet.
vakman
Het maken van wielen vraagt van de ambachtsman een grote vakbekwaamheid, omdat het een van de moeilijkste vormen van houtbewerking is. Obbe heeft het vak geleerd als leerling en als gezel bij verschillende radmakers in Midholst. Er zijn in de stad zoveel goede meester-radmakers, dat hij daarvoor niet eens naar een andere plaats hoefde te gaan.
Na zijn meesterproef is Obbe zelf een bedrijf begonnen op een gunstige plek in de stad. Zoals al eerder verteld is, stallen de boeren op marktdagen hun wagens op ’t Zand. Daardoor is de radmakerij van Obbe voor de boeren de bekendste van de stad. Ze hebben het altijd over “de radmakerij bij ’t Zand”. Om die reden heeft Obbe zijn huis “Bij ’t Zand” genoemd. Onderweg naar de markt gaan de boeren vaak gelijk even bij Obbe langs voor de reparatie van een kapot wagenwiel. Daardoor heeft Obbe altijd werk genoeg.
Schrijnwerkerij ‘De Duif’

constructie
Naast de radmakerij staat een groot houten huis. Ook dit huis heeft een geraamte van balken dat met planken betimmerd is en een dak van stro. Het heeft evenals de radmakerij een stenen stookplaats en een schoorsteen. Dit huis is echter veel voornamer dan de radmakerij. Dat is al te zien aan de grootte van het huis. Het heeft een verdieping en een ruime zolder. Het is ook te zien aan de vele ramen waar ruiten in zitten. Door al die ramen is het binnen veel lichter dan in de kleinere huizen. De overstekken in de voorgevel dienen vooral om de grote glasoppervlakken tegen de regen te beschermen.
Het strodak van het huis heeft geen dakgoten. Het dak van de radmakerij heeft dat ook niet. Als deze huizen tegen elkaar aan gebouwd waren, zou dat lekkage tot gevolg hebben, omdat het regenwater dat van de daken stroomt dan niet weg kon. Daarom is er tussen de huizen een smalle opening, een soort steegje, de zogenaamde “osendrop”, waardoor het regenwater weg kan stromen. In het hoge houten huis woont Lambert Henriks. Zijn vader, Henrik, werd door de poorters van de stad “de Duif” genoemd, omdat hij afkomstig was uit Duyveloo, een dorp achter Thijssingen in de Overmarke. Zijn huis in Midholst stond bekend als “het huis van de Duif”. Later werd het kortweg “De Duif” genoemd.
schrijn
Lambert is schrijnwerker, wat zijn vader vroeger ook was. Zoals het woord al zegt, maakt hij schrijnen, oftewel kisten. Een schrijn is het oudste meubelstuk uit de Middeleeuwen. Voor die tijd stonden er nauwelijks meubels in de huizen. Een eenvoudige arbeider of ambachtsman had niet veel meer dan een ruwhouten tafelblad op schragen, een schrijn en een bed. In de schrijn, die tevens als bank gebruikt werd, werden alle kostbare bezittingen bewaard, vooral kleding. Omdat de huizen bepaald niet wind- en waterdicht waren, was de schrijn de enige plek waar spullen droog bewaard konden worden. In het begin was de schrijn een eenvoudige ruwhouten kist. Poorters die door hard werken tot meer welstand gekomen waren, lieten een schrijn maken door een schrijnwerker. Bekwame schrijnwerkers versierden het meubelstuk met mooi gesneden panelen, zoals het bekende gotische briefpaneel uit de late Middeleeuwen.
De schrijn is de voorloper van allerlei andere meubelstukken. Door leuningen op de schrijn te maken ontstond de zitkist, waaruit later de stoel ontstaan is. Een stoel had eerst nog een gesloten onderkant. Onder een luikje in de zitting bevond zich dus een opbergruimte om kostbaarheden in te bewaren. Iemand kon dus letterlijk “op zijn geld zitten”. Uit de schrijn ontwikkelden zich in de loop van de tijd stoelen, banken, koffers en kasten.
gilde
Lambert heeft het vak geleerd als leerling en later als gezel bij enkele meester-schrijnwerkers in Thijssingen. Nadat hij zelf een meubelstuk had gemaakt, mocht hij zich als meester-schrijnwerker vestigen in Midholst. Hij maakt meestal eenvoudig huisraad, maar hij heeft ook de vakbekwaamheid om kunstig gesneden meubels te maken, uiteraard allen voor rijke poorters, die zoiets kunnen betalen. Doordat zijn bekwaamheid opviel onder de schrijnwerkers van Midholst, is hij onlangs gekozen tot overman van het gilde van timmerlieden, waar ook de schrijnwerkers bij horen.
Elk gilde heeft een deken, die met twee of drie overmannen het bestuur van het gilde vormen. De bestuurders moeten geboren poorters zijn of minstens tien jaar het poortrecht bezitten. Het zijn invloedrijke personen, die een groot gezag uitoefenen. Hun taak is het handhaven van de privileges van het gilde. Ze vaardigen keuren uit over maten, prijzen en arbeidstijden en controleren de uitvoering daarvan. Ze beboeten overtreders van de gildewetten. Ze leggen geschillen bij tussen gildebroeders en tenslotte beoordelen ze de meesterproeven van gezellen. Al die zaken handelen ze af tijdens de wekelijkse vergaderingen in het gildehuis.
Ieder gilde heeft een eigen huis, dat naar gelang van het vermogen van het gilde meer of minder kostbaar ingericht is. Het gildehuis van de timmerlieden staat op de Grote Markt in Midholst. In dit huis worden ook de kostbare attributen van het gilde bewaard, zoals de stichtingsbrief, die door de graaf bezegeld is , en het vaandel dat tijdens optochten meegedragen wordt. De bestuurders krijgen een vergoeding voor hun werkzaamheden en jaarlijks een goede maaltijd in het gildehuis, die soms zeer overvloedig is.
Verder heeft elk gilde een beschermheilige. Voor de timmerlieden is dat St. Jozef. De naamdag van de heilige wordt gevierd als de patroonsdag van het gilde. Op die dag gaan de gildebroeders eerst naar de kerk waar zij een altaar hebben dat aan hun beschermheilige gewijd is. Na het lezen van een mis gaan ze in feestelijke optocht naar het gildehuis, waar een maaltijd wordt gehouden voor alle gildebroeders.
Het lidmaatschap van een gilde brengt voor de gildebroeders allerlei verplichtingen mee, waaraan niet te ontkomen valt, omdat ze buiten het gilde hun beroep niet mogen uitoefenen. Maar naast de verplichtingen genieten de broeders van allerlei voorrechten en genoegens. Dat geldt in dubbele mate voor de bestuurders, zoals Lambert.
Kruidenwinkel ‘Het Agterhuis’

constructie
In het straatje naast De Duif staat een houten huis dat vanwege zijn ligging “Het Agterhuis” genoemd wordt. Ook dit huis is van hout gebouwd. Het heeft echter een pannendak. Dakpannen zijn duurder dan stro, maar veel veiliger met het oog op brandgevaar. Al jarenlang probeert het stadsbestuur te bevorderen dat voor het dak geen stro, maar dakpannen gebruikt worden. Dat kan echter niet iedereen betalen. In veel plaatsen komt de overheid de burgers tegemoet met premies of subsidies. In Midholst besloot de raad:
“So wie syn stroedack afbreken wil,
dat men hem tegelen geven sal om nyet”
Het Agterhuis had oorspronkelijk een strodak. De eigenaar van het huis heeft dankbaar gebruik gemaakt van het aanbod van de raad en het stro vervangen door dakpannen.
Verder is te zien dat bij dit huis meer baksteen gebruikt is dan bij de schrijnwerkerij. Niet alleen de schoorsteen, maar ook de fundering en de onderkanten van de gevels zijn van steen.
De voorgevel heeft een luifel met een typische uitbouw boven de deur. Een uithangteken ontbreekt, maar dat is niet erg, want aan de uitstalling op de neergeklapte luiken is duidelijk te zien dat hier een kruidenverkoper woont.
kruiden
Deze koopman, Ysebrandt Wiggertsz, heeft in de kruidenhandel een goed bestaan, want kruiden worden in de Middeleeuwen veel gebruikt.
Hij verkoopt kruiden die etenswaren meer smaak geven, zoals majoraan, tijm en maanzaad, die buiten op de luiken uitgestald zijn. In de winkel heeft hij er nog veel meer: dille, koriander, nelisse en kruizemunt. Maar hij verkoopt het meest kruiden die een genezende werking hebben. Daarom zouden we deze winkel ook wel een apotheek kunnen noemen.
In de Middeleeuwen zijn planten (kruiden) de voornaamste bron van geneesmiddelen. Veel gebruikt zijn karwij (tegen maagpijn), valkruid of arnica (tegen kneuzingen), goutbloemen, oftewel goudsbloemen (om het hert te verstercken ende het venijn oft vergift te weerstaan), standelskruid, lavendel, papaver en vooral salie.
De kruidenwinkel van Ysebrandt is in de hele omgeving bekend vanwege de goede kwaliteit van de salie die er verkocht wordt. Salie helpt uitstekend tegen jicht, waarvan veel mensen in de koude vochtige huizen nogal eens last hebben. Een goed geneesmiddel is dan veel waard, zoals een dichter eens schreef:
“Saly is heet ende droogh,
hair blaatjens syn te prisen hoogh.
Want wyn gekruit dairmede
Is goet teghen juchtichede”.
Een andere bijzonder nuttige plant is zeepkruid. De wortels hiervan worden gebruikt om dranken schuimend te maken. De hele plant geeft verder saponine, dat gunstig werkt bij verstoppingen. Met de bladeren van zeepkruid kun je tenslotte heel goed je handen wassen.
Twee vakwerkhuisjes

Jutte
Tegen de zijgevel van de kruidenwinkel, aan de kant van het Achterstraatje, zijn twee kleine eenvoudige huisjes gebouwd. Het zijn vakwerkhuizen met een strodak. Wel hebben deze huisjes een gezamenlijke schoorsteen. Aan weerszijden van de tussenmuur is een open haard. De beide rookkanalen monden uit in deze schoorsteen.
Het zijn twee arme poorters die hier wonen. In het laagste huisje woont Jutte, een weduwvrouw, die niet alleen haar man, maar ook drie jonggestorven kinderen naar het graf heeft moeten brengen. Sinds zij weduwe werd, heeft ze zelf in haar levensonderhoud moeten voorzien. In de eerste jaren had zij zo nu en dan een baantje bij een van de rijke burgers. Maar nu ze ouder is geworden kan ze niet meer uit werken gaan en is ze aangewezen op de liefdadigheid van de burgers.
Alpher
In het hogere vakwerkhuis naast weduwe Jutte woont Alpher, een oude schippersknecht, die jarenlang op de rivieren gevaren heeft. Door het zware werk kreeg Alpher steeds meer last van zijn rug. Bovendien raakte op een keer zijn rechter voet bij het laden van een schip bekneld tussen de lading en de scheepswand. Zijn voet was verbrijzeld en is nadien nooit meer helemaal genezen. Nu strompelt hij op krukken door Midholst. Varen kan hij niet meer. Hij hoort nu ook bij de “stille armen”, of “huyssitten armen”, die aangewezen zijn op de liefdadigheid.
liefdadigheid
In de middeleeuwse steden is er veel aandacht voor de hulp aan behoeftigen. Liefdadigheid wordt beoefend “om Godswille”, zoals men dat in deze tijd noemt. In een kroniek van Midholst staat:
“Eenen armen ghesel van Averscop, die gevingen was te Thijssingen,
hem gegeven om Goidswillen ende om des baljuws willen 1 armense gulden.”
In Thijssingen wordt elk jaar op 4 juli brood uitgedeeld aan de armen. In een stadsrekening lezen we:
“Gegeven 51 mudden en 16 karren broets dat op Sinte Meertensdach den armen gegeven wart na der gewointen.”
In Midholst wordt eens per jaar laken aan de armen uitgedeeld:
“Om den armen te cleden gecofft 21 grauwe (goedkope lakensoort) die overhielden 10 ellen, elke laken gerekent tot 16 ellen ende ellic laken gecofft voir 4 rynse guldens myn 6 stuvers, facit 80 rynse guldens. Item noch gecofft 3 laken wits, ellic laken als 16 ellen voir 4 guldens.”
Behalve deze stedelijk georganiseerde liefdadigheid wordt er veel gedaan door kerkelijke instellingen en particulieren, omdat de zorg voor de armen behoort tot de goede werken
broederschap
Zo bestaan er broederschappen, die onder andere voor dit doel opgericht zijn. Een broederschap is een soort stichting, die naar Bijbels voorschrift de onderlinge liefde beoefent. Dat wordt in praktijk gebracht door gebeden en missen voor het zielenheil te laten opdragen in een speciale kapel en door het doen van goede werken, zoals de zorg voor behoeftigen.
Om hiervoor de nodige gelden bijeen te krijgen hebben zij landerijen in bezit, doorgaans gekregen uit schenkingen en erfenissen van adellijke personen. Uit de opbrengsten van deze stukken land wordt een kapelaan betaald voor het lezen van de mis en worden gaven in geld of natura, de zogenaamde “proven”, uitgedeeld aan de armen. De uitvoering hiervan ligt in handen van de procuratoren, meestal leken, die het bestuur van de broederschap vormen.
Sint Maarten
In Midholst bestaat de broederschap van Sint Maarten, genoemd naar de heilige Martinus van Tours. Deze Martinus, die leefde in de 4e eeuw, was een christen, die als soldaat diende in het Romeinse leger. Een legende vertelt dat hij op een koude winterdag met zijn zwaard de helft van zijn mantel afsneed en aan een arme bedelaar in Amiens gaf. Deze daad van onbaatzuchtige zorg voor een arm mens was voor de broederschap in Midholst het motief hem als beschermheilige te kiezen.
De procuratoren van de Sint Maartenbroederschap vergaderen in het provenhuis, naast de Sint Maartenskapel. In dit huis bevindt zich ook de bakkerij, waar de broden gebakken worden, die bestemd zijn voor de uitdelingen. Deze uitdelingen vinden op bepaalde feestdagen plaats in de Sint Maartenskapel. De uitdelingen voorzien de “arme huyssittenden” van noodzakelijke levensbehoeften. Maar ook daklozen worden geholpen. Voor hen is er achter het provenhuis een rij eenvoudige kleine huisjes gebouwd, om hen onderdak te bieden. Verder behoort ook de ziekenverzorging, vooral in de tijd dat de pest heerst, tot de taken van de broederschap.
Hutten tegen de ruïne

stadsbrand
We blijven nog even in de arme buurt achter ’t Zand. Daarom steken we het Achterstraatje over en zien dan voor ons een ruïne. Tijdens de stadsbrand van 1397 is een groot deel van Midholst verwoest. Het Benedictijnenklooster en de fraaie Agnietenkapel brandden geheel uit. Na de brand zijn het klooster en de kapel niet meer opgebouwd, omdat de monniken uit de stad vertrokken zijn. De stenen van de ingestorte muren werden na die tijd gebruikt om andere beschadigde gebouwen te herstellen. Slechts enkele delen van de muren bleven als ruïne staan.
Nog minder bleef er over van de houten huizen met daken van stro. Veel poorters moesten hun huizen van de grond af aan weer opbouwen. Maar er waren er ook die door de brand al hun bezittingen verloren hadden en niet meer in staat waren een nieuw huis te bouwen. Om toch een dak boven het hoofd te hebben, bouwden zij armelijke hutten, waarbij ze overgebleven materiaal uit de verbrande huizen gebruikten. Deze hutten werden gebouwd tegen andere huizen, in de nissen van de stadsmuur of tegen de ruïne van de kapel en het klooster.
Bernt
Eén van de berooide poorters is Bernt de Kramer. Bernt is een rondreizend koopman. Door zijn handel had hij een goed bestaan opgebouwd. Hij bezat als vrijgezel een houten huisje naast de Agnietenkapel in Midholst. Tijdens de stadsbrand was hij ver weg op rondreis door het land. Toen hij terugkwam vond hij zijn huis zo totaal verwoest, dat aan opbouwen niet meer te denken viel. Hij had geen geld om een nieuw huis te bouwen. Daarom restte hem slechts de mogelijkheid een hut te bouwen van de stenen en planken die hij vond in de ruïne van de kapel. Erg degelijk is het huisje niet geworden. De dakbedekking begon al spoedig te verzakken, waardoor het rookgat steeds groter werd. Veel last heeft Bernt er niet van, omdat hij toch meestal op reis is. Dan eet hij bij de boeren en slaapt hij in het hooi.
Ghese
Schuin achter de hut van Bernt staat het onderkomen van de weduwe Ghese Eenoog. Kort voor de stadsbrand is haar man overleden. Toen zij daarna ook haar huis verloor, deelde zij in het lot van de talloze armen, die in de stad een bestaan zochten. Soms heeft zij het geluk wat werk te vinden, maar verder is zij afhankelijk van de uitdelingen en de liefdadigheid, die hiervoor genoemd zijn. Omdat dit lang niet genoeg is, moet ze met bedelen de kost voor zichzelf en haar drie kinderen bijeen zien te krijgen. Enkele vroegere buren zijn zo behulpzaam geweest voor haar een hut te bouwen tegen een muur van de kloosterruïne. Hout was er genoeg te vinden en stro voor het dak verzamelden ze van een veld net buiten de stadspoort. Na verloop van tijd begon het dak echter ernstig in te zakken, waardoor Ghese op regenachtige dagen grote moeite heeft haar schamele bezittingen droog te houden. Een rijke poorter die medelijden met haar had, gaf haar enkele kippen en een haan. Nu kan zij haar kinderen geregeld een ei geven en soms wat vlees. Ghese richtte voor deze dieren een ruimte in achter de kloostermuur. Waar vroeger de monniken plechtig de kapel binnen gingen op de vaste gebedstijden, scharrelen nu de kippen hun kostje op.
Bakkerij ‘De Garve’

brandbaar
We vervolgen de wandeling en gaan weer terug naar ’t Zand. Voor de ruïne staat een bakkerij. We zien vanaf de hut van Bernt de achterkant van het huis. Om aan de voorkant te komen, moeten we weer terug gaan door het Achterstraatje. Van een afstand zien we al dat de bakkerij stenen zijmuren heeft.
Bij de stadsbrand is overduidelijk gebleken hoe brandbaar houten huizen met strodaken zijn. Het was overigens niet de eerste keer dat het vuur zijn vernietigend werk gedaan heeft. Daarom had het stadsbestuur zich al eerder zorgen gemaakt over de brandbaarheid van de huizen. Al vóór 1397 was er een keur uitgevaardigd, waarin staat:
“Nye huysen, tsi woenhuysen, schueren of loedzen, sy syn groet of cleyn, hoge of lage, die salmen maken mit stienen zytwegen ende die salmen decken mit harden dake, tsi mit tegelen of mit leyen.”
Men hoopt dat de stenen zijgevels en pannendaken de snelle uitbreiding van een brand zullen verhinderen. Alleen de voor- en achtergevel mogen van hout zijn. Een bakkerij vormt een extra risico voor brand, vanwege de oven waarin het brood gebakken wordt. Daarom is er een bepaling gemaakt dat de bakoven niet in het huis mag staan, maar buiten op het achtererf. De oven moet bovendien los van het huis staan onder een dakje van dakpannen.
constructie
De bakkerij aan ’t Zand is gebouwd vóór de stadsbrand, overeenkomstig de eisen van de magistraat. Het huis heeft stenen zijmuren en een dak van dakpannen. Bij de stadsbrand is de bakkerij ongedeerd gebleven, maar dat had misschien meer te maken met de windrichting dan met stenen muren en dakpannen.
Overigens zijn de zijmuren eigenlijk nog gebouwd als vakwerkmuren. De gebinten zijn in de zijgevels duidelijk te zien. Alleen zijn de balkvakken opgevuld met bakstenen in plaats van leem of planken. De dunne stenen muren hebben geen dragende functie, want de vloer van de verdieping en het dak steunen op de gebinten.
De reden voor het feit dat de voor- en achtergevel toch van hout gebouwd zijn, is dat er grote raampartijen in aangebracht kunnen worden. In een houten gevel kunnen ook makkelijker overstekken gemaakt worden. Een overstek is een verspringing in de gevel boven de ramen, waardoor de ramen beschermd worden tegen regenwater dat langs de gevel naar beneden druipt.
indeling
Van binnen bestaat het huis uit een grote ruimte, de zaal, waarvan het voorste deel ingericht is als bakkerij en winkel. Hier maakt bakker Johan Hendricxsz het deeg klaar dat in de oven achter het huis gebakken wordt. Hier komen ook de klanten elke dag vers brood kopen. Achter in de zaal is de binnenhaard, een lage ruimte die door een houten wand van de bakkerij afgescheiden is.
De binnenhaard is een kleine kamer, waar het bakkersgezin woont. Via een spiltrap is de verdieping boven de binnenhaard te bereiken, de zogenaamde insteekkamer. Deze kamer wordt gebruikt als slaapruimte voor Claesken, de bakkersknecht, en voor de kinderen. Er is ook een opslagplaats voor meel.
bakoven
Naast de binnenhaard is een gang die uitkomt bij de achterdeur. Als we hierdoor naar buiten gaan, komen we op het achtererf, waar de bakoven staat. Hij staat in een open stenen schuurtje met een pannendak. De oven is gebouwd van op elkaar gemetselde stenen. Aan de voorkant is een opening, die afgesloten wordt met een ijzeren klep. Als Johan brood gaat bakken, vult hij de oven eerst met takkenbossen, die hij in een andere schuur heeft liggen. De takken worden in brand gestoken, waardoor de stenen van de oven heet worden. Als de oven warm genoeg is, wordt het vuur gedoofd en de as van de takken eruit geschept. Met een natte doek aan een stok wordt de oven schoongemaakt.
Daarna legt de bakker het gerezen brooddeeg met een lange schuif in dezelfde ruimte en sluit hij de klep. De dikke stenen muren houden de warmte van het vuur heel lang vast.
De broden worden dus niet gebakken boven brandende takken, maar door de hitte van de stenen. Het is wel een kunst om met het takkenvuur de oven op de juiste temperatuur te krijgen. Het deeg mag niet verbranden, maar moet wel gaar worden. Of de oven warm genoeg is, kan de bakker zien aan de stenen aan de binnenkant van de oven. Zodra de zwartgeblakerde stenen door de hitte van het vuur wit worden, is de oven op temperatuur.
geur
Behalve brood bakt Johan ook “suykerkoecken, honichkoecken, crakelinghen en pasteien.” Maar deze lekkernijen worden alleen door de welgestelden van de stad gekocht. Het meeste werk heeft de bakker aan het dagelijkse brood, dat hij ’s nachts bakt. Om half vijf in de morgen gaat Johan in de deuropening staan en blaast hij op zijn hoorn om de mensen te laten weten dat hij het verse brood uit de oven heeft gehaald. Een heerlijke geur trekt over ’t Zand, als de bakker de eerste broden op de neergeklapte luiken legt en aan de luifel een bos verse krakelingen ophangt. Wie dan nog niet weet dat dit huis een bakkerij is, kan het zien aan het uithangteken. Op de hoek van het huis hangt een houten bord met de afbeelding van een korenschoof. De bakkerij heet namelijk “De Garve”.
Zakkenmakerij ‘De Doorloop’

constructie
Naast de bakkerij staat een klein donker houten huis met een merkwaardige vorm. De benedenverdieping van het huis is veel kleiner dan de bovenverdieping. Dat komt door een steeg naast het huis, of eigenlijk in het huis. De bovenverdieping gaat over de steeg heen. Het is duidelijk dat dit huisje later gebouwd is dan de bakkerij en de lakenweverij. Het is er eenvoudig tussen gezet.
Aan de kant van de bakkerij heeft het huis een stenen zijmuur. Aan de andere kant, naast de steeg, een houten muur. Het stadsbestuur heeft dat oogluikend toegestaan, omdat de lakenweverij ernaast wel een stenen zijmuur heeft. Verder zijn de voor- en achtergevel van hout en op het dak zijn dakpannen, net als bij de bakkerij.
De huizen zijn tegen elkaar aan gebouwd. Het voordeel daarvan is dat ze gemeenschappelijke zijmuren hebben, maar daardoor is er geen osendrop tussen de huizen voor de afvoer van regenwater, zoals tussen de radmakerij en het huis van de schrijnwerker. Een osendrop is hier echter niet nodig, omdat het dak van de zakkenmakerij dakgoten heeft, die het regenwater afvoeren naar het achtererf.
zakkenmaker
De zakkenmaker die hier woont heet Pieter Geerts. Doordat in Midholst graan en andere akkerbouwproducten verhandeld worden, is er een grote vraag naar jute zakken. Dat betekent voor Pieter veel werk en een redelijk inkomen.
De kleine benedenverdieping wordt alleen gebruikt als woonruimte voor het gezin van Pieter. De bovenverdieping is ingericht als werkplaats van de zakkenmaker, omdat hij hier meer ruimte heeft dan beneden. Een werkplaats op de bovenverdieping komt in Midholst niet zo vaak voor. Het nadeel hiervan is dat de balen jute naar boven en de gemaakte zakken naar beneden gebracht moeten worden. Om hiervoor niet steeds de trap te hoeven gebruiken, zit er in de voorgevel een deur en een hijsbalk.
Hoewel het huis klein is, maakt het toch geen armoedige indruk met de ruitjes tussen de consoles en een mooi gesneden windveer. Naast de steeg hangt het uithangteken, waaraan het huis te herkennen is: een houten bord met de afbeelding van een zak. Een klinkende naam heeft dit eenvoudige huis niet. Vanwege de steeg naar het achtererf wordt het meestal “De Doorloop” genoemd.
Lakenweverij ‘Het Pietershuis’

constructie
Naast de zakkenmakerij staat een groot huis, dat een voorname indruk maakt. Het vertegenwoordigt een nieuwe fase in de ontwikkeling van houten naar stenen huizen. Dit huis heeft zijmuren die volledig van bakstenen gebouwd zijn. Ook de achtergevel is grotendeels van steen. Deze stenen muren zijn anders dan de muren van de bakkerij. Ze hebben een dragende functie en zijn daarom veel dikker. In dit huis ontbreken de houten gebinten, die bij andere huizen de verdiepingsvloeren en het dak dragen. Ook het dak is gebouwd naar de eisen van de tijd. Het is gedekt met dakpannen, zoals de magistraat graag heeft.
De voorgevel is nog wel bijna geheel van hout. Nog lange tijd houden de mensen een voorliefde voor houten voorgevels, omdat hierin grote raampartijen aangebracht kunnen worden. Evenals bij de houten huizen beschermen ook hier overstekken de ramen tegen inwatering.
De gevel is fraai afgewerkt met een spitsboog met driepasversiering, natuurstenen consoles en een betegeld stoepje. Dit alles laat zien dat hier geen arme poorter woont.
lakennijverheid
Het huis is eigendom van Coenraet van Groeningen, een lakenwever. Coenraet is afkomstig uit Brugge, waar de familie Van Groeningen door de lakennijverheid tot grote rijkdom gekomen is.
Jaren geleden, toen Coenraet nog gezel was en een keer op doorreis in Midholst overnachtte, kwam hij in de taveerne in gesprek met enkele schepenen van de stad. Zodra de schepenen begrepen dat deze vreemdeling een weversgezel was, die in Brugge het vak geleerd had, was hun belangstelling gewekt. Voor elke stad is het van belang dat er voorzien kan worden in de plaatselijke behoeften. Daarom probeert ieder stadsbestuur lakennijverheid binnen haar muren te krijgen. De omstandigheden in Midholst waren hiervoor gunstig. De boeren in de Nedermarke hadden destijds, en ook nu nog, veel schapen. De wol van deze schapen werd voorheen in de omringende plaatsen verkocht. Maar de magistraat van Midholst wilde graag onafhankelijk worden van de lakennijverheid in Thijssingen en ’s Gravendrecht en bovendien een graantje meepikken van de inkomsten van de lakenhandel. Daarvoor hadden ze bekwame ambachtslieden nodig, zoals lakenscheerders, volders en vooral wevers. Daarom was het voor de schepenen een verrassing in de taveerne een knappe weversgezel te ontmoeten. Ze vroegen hem in Midholst een weverij te beginnen. Om het aantrekkelijk te maken, boden ze hem belastingvoordelen aan en subsidie voor het bouwen van een huis met stenen muren en een pannendak. Coenraet vond het een prachtig aanbod en besloot zich in Midholst te vestigen.
beeldje
Hij bouwde dit ruime huis aan ’t Zand. Het huis heeft twee deuren in de voorgevel. De deur in het midden van de gevel geeft toegang tot de weverij. Achter de rechterdeur is een gang, die leidt tot het woonvertrek van de familie achter in het huis. Opvallend is boven de rechterzijgevel de dakkapel met hijsinstallatie. Hiermee wordt de wol op de grote zolder van het huis gebracht, die dienst doet als opslagruimte. Op de eerste verdieping van het huis is de slaapkamer van het gezin en de vertrekken van de knecht en de keukenmeid.
De naam van het huis, Het Pietershuis, is ontleend aan het beeldje van Petrus, dat in de voorgevel tussen de ramen van de verdieping is aangebracht. Het is een geschenk dat Coenraet bij zijn vertrek uit Brugge meegekregen heeft
Brouwerij ‘De Drije Ringen’

constructie
We gaan nu weer terug langs de bakkerij naar het gedeelte van ’t Zand waar we nog niet geweest zijn. Hier komen we bij de nieuwste huizen, die gebouwd zijn na de stadsbrand in 1397. Het huis naast de bakkerij is weer een stap verder in de ontwikkeling van de huizenbouw dan de voorgaande huizen. Het is een volledig stenen huis zonder een geraamte van balken. De stenen muren hebben hier een dragende functie, zoals we ook al zagen bij de zijmuren van het Pietershuis, maar dit huis heeft ook een stenen voorgevel. Dat geeft het huis een heel ander uiterlijk. Het dak is uiteraard gedekt met dakpannen en heeft dakgoten voor de afvoer van regenwater.
Dit huis is nog vrij nieuw. Het is gebouwd in 1400 in de nu gangbare gotische stijl. Kenmerkend voor deze stijl zijn onder andere ramen die in nissen staan. Dat is vooral in de achtergevel goed te zien. Typisch gotisch zijn ook de ezelsruggen op de trappen van de geveltop. De luiken en de deuren zijn geverfd met ossenbloedrood, wat in deze tijd vaak voorkomt.
brouwerij
In dit huis woont Huych de Brouer. Zoals zijn naam al aangeeft is hij bierbrouwer van beroep. In het voorste deel van de zaal staat de installatie waarmee hij volgens een eigen recept bier brouwt.
Het huis wordt genoemd: “De Drije Ringen”. Waar deze naam vandaan komt weet niemand meer, maar iedereen in Midholst weet dat hier het bekende Holst bier gebrouwen wordt.
Brouwerijen in de steden zijn pas na 1350 ontstaan. Vóór die tijd werd het bier in kloosters gebrouwen, of thuis door huisvrouwen. Rond 1400 zijn er in elke stad al verschillende brouwerijen. Dat komt omdat bier de gewone dagelijkse drank is.
Melk wordt niet door iedereen gedronken, want dat is de drank voor zieken en zwakken. Wijn is duur en daarom alleen voor de rijken. Het drinken van water is gevaarlijk, omdat het ongezuiverde water uit de grachten zeer ongezond is.
Bier is wel gezond, omdat er door het brouwproces geen ziektekiemen in voorkomen. Iedereen drinkt bier, zowel volwassenen als kinderen. Men drinkt het
’s morgens bij het ontbijt, tussendoor tijdens het werk en bij het middag- of avondmaal is de tafel niet compleet zonder en kruik bier. Een bekend gezegde is:
“Bier is dranck van alle man.
Bier drinkt dat maar drinken kan.”
Toch komt dronkenschap door het drinken van bier niet veel voor. Het gewone dagelijkse bier is “dun bier”, waar weinig alcohol in zit. Alleen bij feestelijke gelegenheden wordt beter bier gedronken, dat “zwaarder” of “sterker” is.
koopbier
Rond 1400 is er een belangrijke verandering gekomen in de samenstelling van de grondstoffen voor bier, doordat men hop ging gebruiken. Hop geeft aan bier zijn karakteristieke bittere smaak. Hopbier verving het zogenaamde “gruitbier”, dat gemaakt werd met gruit, een mengsel van kruiden en mout. Gruitbier wordt door sommige vrouwen thuis nog steeds gebrouwen. Door de gruit te vervangen door hop, werd het bier ook langer houdbaar en daarom geschikt voor de handel. Het gevolg is dat wij sinds kort onderscheid maken tussen “huisbier”, dat door huisbrouwers gemaakt wordt en “koopbier”, het product van een koopbrouwer. Huisbier wordt niet alleen door huisvrouwen voor het eigen gezin gebrouwen, maar ook door kleine brouwerijen, die het slijten in de directe omgeving. Koopbier is voor de handel met binnen- en buitenlandse steden. Het wordt daarom in grote hoeveelheden gebrouwen. Voor stadsbesturen en vorsten is het verhandelen van bier een belangrijke bron van inkomsten, omdat er accijns op geheven wordt. Er zijn steden waar met de opbrengst van de belastingen op bier de verdedigingswerken rond de stad aangelegd worden.
Holst bier
“De Drije Ringen” in Midholst is zo’n koopbrouwerij. Het befaamde Holst bier wordt tot ver buiten Markeland verkocht. Aan “De Drije Ringen” is trouwens wel te zien dat Huych de Brouer er ook goed aan verdient. Het stenen huis is zonder meer voornaam te noemen in vergelijking met de meeste andere huizen in Midholst.
Belangrijk is verder dat de brouwerij niet ver van de haven staat, niet alleen voor de uitvoer van het bier, maar ook omdat de grondstoffen graan en hop per schip aangevoerd worden. De derde grondstof, water, komt uit een in Midholst aanwezige bron. Dat water is veel zuiverder dan grachten- of rivierwater.
Schepenhuis ‘’t Valcke Oog’

constructie
Het huis naast de brouwerij, dat de rij huizen aan ’t Zand aan de westkant afsluit, is het voornaamste huis van dit deel van de stad. Evenals de brouwerij is dit ook een volledig stenen gebouw zonder houten geraamte en met dakpannen op het dak.
Het verschil met het buurhuis is dat het groter en voornamer is. Het is hoger dan de andere huizen, omdat er onder het voorhuis een kelder is. Doordat dit huis pas na 1400 gebouw is, vertoont het nog duidelijker de kenmerken van de gotische bouwstijl dan de brouwerij. Dat is vooral aan drie dingen te zien: de nissen waar de ramen in staan, de spitsbogen aan de bovenkanten van de nissen en de driepasversiering in de geveltop en in de raam nissen op de begane grond.
De grote hoeveelheid natuursteen, vooral in de voorgevel, is een teken van rijkdom. In de linkerzijgevel is een gedeeltelijk naast het huis geplaatste traptoren gebouwd. Dat komt ook alleen bij de voornaamste huizen voor. Het achterste deel van het huis telt vier verdiepingen, terwijl er aan de voorkant maar drie te zien zijn. Daaraan is te zien dat de verdiepingsvloeren niet doorlopen van voor naar achter, maar halverwege verspringen. Daardoor heeft het huis van binnen een ingewikkelde structuur.
koopman
In dit huis woont een rijke poorter, de schepen Walich Brunicksz van Cleve. Walich is niet afkomstig uit Midholst, maar uit het graafschap Kleef. Zijn ouders waren eenvoudige hardwerkende poorters. Op jonge leeftijd is Walich in dienst gekomen bij een koopman uit Kleef, die met zijn reiswagen verre tochten maakte. Hij vervoerde wijn, honing en noten uit zuidelijke landen naar ’s Gravendrecht en ging met laken, linnen en leer terug.
Op één van de reizen is Walich ziek geworden en door de koopman achtergelaten in een klooster in Midholst. Daar is hij langzaam hersteld. Lange tijd hielp hij de kloosterbroeders in de kruidentuin, maar op de duur werd het klooster hem te benauwd. Hij verlangde terug naar het vrije leven van reizen. Walich zocht werk in de stad. Eerst werkte hij als knecht bij een lakenhandelaar. Later reed hij mee op een wagen van de brouwerij, die Holst bier naar ’s Gravendrecht en Thijssingen vervoerde. Hij voelde zich in zijn element in een leven van handelen en reizen. Hiermee verdiende hij zoveel, dat hij tenslotte zelf een reiswagen kon aanschaffen. Door zijn handelsgeest zag de pientere jongen steeds weer mogelijkheden de producten van de ambachtslieden te verkopen in de grote steden en grondstoffen voor de plaatselijke nijverheid mee terug te nemen.
Hij had succes in de handel, verwierf aanzien onder zijn vakgenoten en werd deken van het gilde van kooplieden. Door zijn huwelijk met Diewertgen Ariaensdr, dochter van de schout, werd hij opgenomen in de kring van de rijke families. Tenslotte werd hij door de schout gekozen in het college van schepenen.
schepenen
Het bestuur van Midholst bestaat uit een schout, een college van schepenen en een raad van burgemeesters. De graaf van Markeland heeft een schout aangesteld, die als vertegenwoordiger van de landsheer de stad moet besturen. Deze schout kiest jaarlijks een groep van 7 schepenen die hem daarin moeten bijstaan. Doorgaans komen hiervoor alleen de rijkste poorters in aanmerking. Na een jaar worden de aftredende schepenen meestal direct herkozen.
De schepenen worden op hun beurt in het bestuur van de stad bijgestaan door een raad van burgemeesters, als directe vertegenwoordigers van de burgerij. Overigens worden deze burgemeesters niet gekozen door de poorters, maar door de schepenen. Op deze wijze zien de rijke families kans jarenlang de macht in de stad in handen te houden.
De taak van de schepenen is het uitoefenen van de rechtspraak en het besturen van de stad. In de stadsrechtoorkonde van Midholst staat:
“De schepenen hebben te zorgen dat alles in de stad geschiedt overeenkomstig recht en gewoonte.”
Zij moeten dus het recht handhaven. Het recht in de stad is gebaseerd op het grotendeels ongeschreven gewoonterecht, dat van oudsher gegolden heeft sinds de tijd toen de plaats nog geen stadsrechten had.
Dat recht moeten de schepenen beschrijven. Daarnaast moeten ze vonnissen uitspreken in allerlei gevallen waar nog geen rechtsregels voor zijn. Hierdoor scheppen zij nieuw recht.
De tweede taak, het besturen van de stad, oefenen zij uit door het uitvaardigen van besluiten, die voor alle burgers bindend zijn en dus een wettelijk karakter hebben. Deze besluiten worden “overdrachten” of “keuren” genoemd. Veel keuren gaan over handel, nijverheid en belastingheffing, maar ook over allerlei dagelijkse aangelegenheden worden keuren uitgevaardigd, zoals maatregelen tegen brandgevaar in de stad.
lijfspreuk
Overeenkomstig zijn stand heeft de schepen Walich Brunicksz van Cleve niet lang geleden een voornaam stenen huis laten bouwen op een plek waar door de stadsbrand verschillende houten huizen verdwenen zijn. Hij was zelf overigens niet gedupeerd door de brand.
Walich maakt er in dit huis geen geheim van waardoor hij zijn hoge positie bereikt heeft. Boven de open haard in het woonvertrek staat zijn lijfspreuk, die hij met sierlijke letters op de schoorsteenbalk heeft laten aanbrengen: “Agt is meer dan hondert.” In deze spreuk zit een woordspeling: “Agt” is niet alleen een getal, het betekent ook: ergens acht op slaan, oplettendheid. De spreuk wil dus zeggen: oplettendheid is meer waard dan een zak met honderd munten. Het is juist hierdoor dat Walich in de handel rijk geworden is. Door zijn oplettend handelsgeest zag hij steeds weer mogelijkheden geld te verdienen.
Om diezelfde reden heeft hij zijn huis genoemd: “’t Valcke Oog”. Een valk heeft een scherpe blik. Hij ziet van een grote afstand zijn prooi. Zo heeft Walich in zijn leven steeds scherp gezien waar hij voordeel kon behalen. Ook voor zijn werk als schepen zijn oplettendheid en een scherpe blik van groot belang. Hij geeft er regelmatig blijk van tijdens de talloze vergaderingen in het stadhuis. De poorters van Midholst weten het en respecteren hem als een bekwaam bestuurder. Iedere keer als hij van zijn huis aan ’t Zand naar het stadhuis wandelt, wordt hij door velen beleefd en respectvol begroet.
Timmermanshuis ‘In den Gulden Nagel’

constructie
Niet iedereen is in staat een volledig stenen huis te bouwen. Bovendien houden sommige poorters nog graag vast aan de traditionele wijze van bouwen. Dat geldt bijvoorbeeld voor de timmerman Ghisebert Mertins, die bezig is achter het schepenhuis en de brouwerij een huis voor zichzelf te bouwen. Het wordt een vakwerkhuis van hetzelfde type als de bakkerij, dus met een voor- en achtergevel van hout, zijmuren van met bakstenen opgevulde vakken en gedekt met een pannendak, overeenkomstig de voorschriften van het stadsbestuur.
Op dit moment is alleen nog maar het houtskelet gereed. Daardoor is duidelijk te zien hoe een vakwerkhuis in deze tijd gebouwd wordt en hoe het inwendige van zo’n huis eruit ziet. De zaal is opgebouwd uit zeven gebinten, waarin we het ankerbalkgebint herkennen. Hierbij zijn de dwarsbalken niet op maar tussen de stijlen geplaatst en daarin met pinnen verankerd. Verder worden de dwarsbalken ondersteund door korbelen en sleutelstukken, die de gebinten stevigheid geven. Op de koppen van de stijlen liggen langsbalken in de lengterichting van het huis. Op deze langsbalken of wurmten rusten de dakribben, die doorlopen tot de nokbalk.
indeling
Het huis heeft een hoge zaal. Het voorste deel van de zaal zal als werkplaats in gebruik genomen worden. In het achterste deel van de zaal is een lage “binnenhaard” gebouwd. De vloer van de binnenhaard is iets verlaagd om rechtop te kunnen staan zonder je hoofd te stoten tegen de balken. Naast de binnenhaard is een gang naar de achterdeur. Boven binnenhaard en gang is een “insteek” over de hele breedte van het huis.
De trap naar de insteekkamer en de zolder komt achter in de binnenhaard. De spil van de trap is al geplaatst. De binnenhaard wordt het woongedeelte, omdat dit het enige vertrek zal zijn dat verwarmd kan worden. Er is een stenen stookplaats en een schoorsteen gemetseld. Boven het vuur van de haard zal in de toekomst het eten gekookt worden. Er komen ook twee slaapplaatsen in de binnenhaard. Die zijn bestemd voor de timmerman en zijn vrouw. De overige slaapplaatsen komen in de insteekkamer, die door de schoorsteen en vanuit het onderliggende vertrek enige warmte ontvangt.
zolder
Op de dwarsbalken van de gebinten wordt een zoldervloer gelegd. Dat kan omdat er een schoorsteen is, die de rook van het vuur afvoert. Bij de radmakerij zagen we al dat een stenen schoorsteen voorwaarde is voor het aanbrengen van een zoldervloer. De zoldervloer ligt op de zogenaamde moerbalken (dwarsbalken) en kinderbinten. De kinderbinten liggen in dezelfde richting als de vloerplanken. Daardoor worden de stofnaden afgedicht en komt er dus geen stof van de zolder in de vertrekken eronder.
Boven elk gebint staan twee kapjukken boven op elkaar, waarop de kap rust. De kapjukken (dakspanten) zijn in de lengterichting met elkaar verbonden door langsbalken (gordingen), die de dakribben ondersteunen. De schoren (schuine balken) tussen de kapjukken en de langsbalken zorgen voor een solide constructie. Binnen enkele dagen gaat een metselaar beginnen met het metselen van de buitenmuren. Dat wil zeggen: de balkvakken worden opgevuld met bakstenen.
timmerman
De timmerman heeft al een mooie naam voor het huis in gedachte: “In den Gulden Nagel”. Als het huis klaar is, komt er ook nog een mooi uithangteken aan de voorgevel. De timmerlieden horen bij hetzelfde gilde als de schrijnwerkers, hoewel hun werk heel verschillend is. Een schrijnwerker maakt alleen meubels, maar een timmerman bouwt houten constructies, zoals huizen. Het zal duidelijk zijn dat er voor een timmerman in deze tijd werk genoeg is. Veel huizen zijn nog van hout of hebben een balkengeraamte. Zelfs stenen huizen hebben een houten kapconstructie. Ghisebert heeft al heel wat gebouwd in Midholst. Als gezel heeft hij meegewerkt aan de bouw van de houten kraan bij de haven. Na de stadsbrand had hij veel werk omdat talloze huizen hersteld of opnieuw gebouwd moesten worden. Zijn meesterproef was de dakconstructie van de traptoren van het schepenhuis. Als zijn eigen huis klaar is, zal hij ook als meester-timmerman zijn brood goed kunnen verdienen in Midholst.
Hans ik vind het prachtig. Heel leuk met een verhaal erbij. Ik hoop dat het nog eens in het blad Landleven komt te staan als beloning voor het vele werk en uren die je er in gestoken hebt. Joke Raatgever.
LikeLike