
1. Ontstaan
anno 947
Vanaf Midholst gaat een karrenspoor in westelijke richting langs de Holster Maar.
Op een afstand van 4 uren gaans ligt daar de stad ’s Gravendrecht. Deze plaats is gebouwd rond de plek waar de Drecht in de Maar stroomt.
Vijf eeuwen voor 1412 bestond ’s Gravendrecht nog niet. Toen was er aan de monding van de Drecht alleen maar een vroonhoeve, die in het jaar 922 gebouwd is door heer Arnulf, een voorvader van de huidige graven van Markeland. Van deze vroonhoeve is nu niets meer over. Het centrum van ’s Gravendrecht is gebouwd op de plek waar vroeger de hoeve was.
Liefhebbers van de geschiedenis stellen graag de vraag: Hoe is het begonnen?
Na uitvoerig onderzoek is er een beschrijving opgesteld van de vroonhoeve zoals die geweest moet zijn in het jaar 947. Dat was vijfentwintig jaar nadat heer Arnulf begonnen is met de bouw ervan. Het is een beschrijving van een hoeve die volledig in bedrijf is. Deze beschrijving begint bij het begin.

ontginning
Het land ten noorden van de Maar was sinds mensenheugenis een ruig onontgonnen gebied. Het bestond uit uitgestrekte moerassen, afgewisseld door wat hogere gedeelten die begroeid waren met bomen en ondoordringbaar struikgewas.
Het gebied was een eldorado voor allerlei soorten klein wild, die hier volop voedsel vonden, maar voor mensen was het grotendeels onbegaanbaar. Alleen enkele jagers die het terrein goed kenden, woonden hier in de zomertijd in eenzame hutten. In de winter was het gebied woest en onherbergzaam, vooral wanneer de stormen over het land joegen. Dan werden de mensen afgeschrikt door de schrille kreten van roofvogels, die hen leken te waarschuwen voor de schimmen van geesten, die boven de moerassen zweefden.
Zelfs de Romeinen waren aan het gebied voorbijgetrokken. Die bleven liever op veilige afstand op de door hen aangelegde dijken langs de rivier, die zij de Mares noemden. Zij wisten dat de onberekenbare moerassen mensenlevens konden kosten.
Het waren de monniken van Kenterburg die een begin gemaakt hebben met de ontginning van het gebied. Zij legden dijken aan en groeven sloten in het moerasland, waardoor het water weg kon stromen naar de rivier en er langzamerhand meer droge gebieden ontstonden. Het is een zwaar karwei geweest met eenvoudige middelen. Vooral het kappen van de wilde begroeiing kostte veel spierkracht. Ze hadden het ervoor over. Nieuw ontgonnen land betekende immers uitbreiding van het grondbezit van het klooster en daarmee uitbreiding van het gebied waarover de geestelijken zeggenschap hadden.
Geleidelijk veranderde het aanzien van het land. De ontoegankelijke ruigte maakte plaats voor een bewoonbaar gebied. Het nieuwe land moest vervolgens worden bebouwd en onderhouden. De nieuwe nederzettingen in het gebied moesten worden bestuurd.
leenstelsel
Landsheren die grond in eigendom hebben, kunnen meestal vanwege de uitgestrektheid van hun gebied het bestuur ervan niet zelf ter hand nemen. Daarom is in de loop van de tijd het leenstelsel ontwikkeld. Dat houdt in dat gedeelten van het land in leen gegeven worden aan leenmannen, die het gebied moeten besturen en verdedigen en in ruil daarvoor mogen leven van de opbrengst ervan.
Een koning geeft dergelijke lenen aan krijgsheren die hij nodig heeft om zijn rijk te beschermen en om in oorlogstijd een leger te kunnen vormen. Voor een krijgsheer is het een grote eer een stuk land in leen te krijgen, want het is tegelijk een beloning voor dapperheid in de strijd en trouw aan de koning. Niet iedereen komt daarvoor in aanmerking. De koning kiest zijn trouwste onderdanen als leenmannen. Hij moet er immers op kunnen vertrouwen dat het land goed bestuurd wordt als hij zelf ver weg is.
Deze krijgsheren mogen op hun beurt gedeelten van hun gebied in leen geven aan enkele onderdanen. Een leenman wordt dan dus zelf leenheer van zijn ondergeschikten. Op die manier zijn de grote lenen van de graven en hertogen opgedeeld in kleine stukken die door heren en ridders bestuurd worden.
Ook geestelijken kunnen gebieden in leen krijgen. Bisschoppen worden door de koningen gezien als betrouwbare bestuurders die de bevolking beschaving bijbrengen. Zij krijgen nogal eens de voorkeur boven onberekenbare ridders die het vooral te doen is om hun eigen macht en voordeel. De boeren in het gebied zijn daar trouwens ook blij mee. Geestelijken regeren doorgaans met meer barmhartigheid over hun onderdanen dan edelen. Dat blijkt wel uit het gezegde dan onder de boeren rondgaat: “Onder de kromstaf is het goed leven.” Met die kromstaf wordt de bisschopsstaf bedoeld.
Kenterburg
Kort na 700 gaf een Frankische koning een stuk grond op de zuidelijke oever van de Maar in leen aan evangeliepredikers, die afkomstig waren uit Brittannië. De zendelingen troffen op deze plek restanten aan van een verlaten nederzetting, een verwoest kerkje en wat houten gebouwtjes. Hier waren al eerder evangeliepredikers geweest die door de heidense bevolking waren verjaagd. Op dezelfde plaats bouwden de zendelingen uit Brittannië opnieuw een houten kerkje en wat kloostergebouwen. Ze noemden de nederzetting “Kenterburg”, naar de naam van het klooster Canterbury, waar zij vandaan kwamen.
Vanuit het klooster Kenterburg is de kerstening van de heidense bevolking begonnen. Maar de monniken maakten zich ook verdienstelijk door het gebied ten noorden van de Maar te ontginnen en bewoonbaar te maken.
De monniken vinden het ook belangrijk goede relaties te onderhouden met de boeren uit de omgeving van het klooster. Zo is er vriendschap ontstaan tussen de kloosterlingen en een zekere Arnulf, een jonge boer uit dit gebied. Geruime tijd geleden waren er als gevolg van een oorlog plunderende benden het land doorgetrokken. De monniken van Kenterburg vreesden voor hun leven en de kostbare kerkelijke bezittingen. Arnulf die de monniken goed gezind was, heeft toen met een groep boeren geholpen het klooster te beschermen.
Als dank voor zijn hulp kreeg Arnulf in 922 het nieuw ontgonnen land ten noorden van de Maar in leen. In het klooster Kenterburg wordt de akte bewaard waarin deze belening nauwkeurig omschreven wordt, met de daarbij horende heerlijke rechten. Dat zijn de rechten die de heer toekomen en hem inkomsten verschaffen, zoals het recht op een deel van de oogst, het jachtecht, visrecht en maalrecht.
De grootte van het gebied is veertig hoeven. Een hoeve is een oppervlaktemaat. Het is de hoeveelheid grond die één familie kan bewerken. Dat is tussen de tien en vijftien hectare. Daarmee komt veertig hoeven op ongeveer vijfhonderd hectare.

motteburcht
Maar ondanks die officiële akte met het zegel van de bisschop is het gebied van heer Arnulf niet onbedreigd. De heer van Thesinga meende aanspraak te kunnen maken op al het gebied ten noorden van de Holster Maar, dus inclusief het land van heer Arnulf. Bovendien kreeg Arnulf al gauw te maken met rovers uit de arme moerasgebieden in het noorden, die uit zijn op de opbrengsten van de landerijen.
Om al die gevaren het hoofd te bieden heeft heer Arnulf in een bocht van de Maar bij de monding van de Drecht een zogenaamde motte laten opwerpen. Een motte is een kunstmatige heuvel, waarop een versterkt huis gebouwd wordt. Deze motteburcht is omringd door een palissade en een gracht, die samen de binnenhof op de motte beschermen.
Naast de motteburcht is de iets lager gelegen buitenhof. Daar staan de huizen en werkplaatsen van de ondergeschikten van de heer en de spiker, de schuur waarin de kostbare voedselvoorraad bewaard wordt. Ook de buitenhof is omgeven door een palissade en een gracht, zodat de hele hoeve verdedigd kan worden tegen eventuele aanvallers. Een dergelijke nederzetting wordt doorgaans vroonhof of vroonhoeve genoemd, omdat het de hoeve van een heer is.
De vroonhoeve van heer Arnulf is opgenomen in de beschrijving van in leen gegeven goederen van het klooster Kenterburg onder de naam “De hof te Drecht”. De boeren uit de omgeving hebben het echter meestal over “Heer Arnulfs hof”.
De vroonhoeve vormt de kern van de heerlijkheid van heer Arnulf. De heerlijkheid bestaat uit twee gebieden: het saalland of vroonland en het hoevenland.
Het saalland is het land direct rond de vroonhoeve, dat de heer in eigen beheer heeft. Het bestaat uit de vroonhoeve zelf en daaromheen wat weiland, wat bouwland en onontgonnen gebied. Dit land wordt bewerkt door de hofhorigen, onvrije knechten die binnen de vroonhoeve wonen.

2. De heerlijkheid
horigen
Het hoevenland wordt bewerkt door de overige horige boeren, die in verspreid liggende boerderijtjes wonen. Elke horige heeft een hoeve, dat wil zeggen een stuk grond van tien à vijftien hectare. Daarop verbouwt hij spelt (een soort tarwe), haver en gerst. Daarnaast wat bonen en erwten. Verder heeft hij wat vee: een paar varkens, schapen, geiten, kippen en soms een enkele koe. De grond levert niet veel op. Wat verbouwd wordt is vooral voor eigen gebruik. Soms is het maar net genoeg om de winter door te komen. Een deel van de opbrengst moet bovendien als pacht in natura bij de heer op de hof gebracht worden.
Horigen zijn geen vrije mensen. Ze zijn weliswaar geen slaven, maar verder hebben ze weinig rechten. Horigen zijn verplicht op het land van de heer te blijven wonen en werken. Dat geldt ook voor hun kinderen. Als een jonge horige wil gaan trouwen moet hij daarvoor doorgaans toestemming vragen aan de heer. En wanneer het land van een heer in andere handen komt, krijgt de nieuwe heer de horigen erbij. Een horige hoort dus bij de grond waar hij op werkt.
Naast het werk op zijn eigen hoeve wordt elke horige geregeld opgeroepen om herendiensten te verrichten op het saalland. Zo zijn er in de tijd van de oogst extra werkkrachten nodig om de gewassen van het land te halen en in de schuren op te bergen. Daarbij geldt de regel dat herendiensten altijd voorgaan. Zijn eigen oogst moet een horige dan maar later binnen halen. Andere werkzaam heden die de horigen moeten uitvoeren zijn reparaties aan wegen, gebouwen en hekwerken en soms ook het leveren van geweven stoffen.

vrije boeren
Behalve horigen zijn er in de omtrek ook vrije boeren. Zij hebben hun grond in eigen bezit en zijn dus vrij van de verplichting om herendiensten te verrichten en een deel van de opbrengst af te staan. Voor een buitenstaander lijkt het wellicht aantrekkelijker een vrije boer te zijn dan een horige, maar in werkelijkheid gebeurt het nogal eens dat boeren hun vrijheid opgeven om horige te worden.
In de huidige onzekere tijden komen geregeld ruzies voor tussen hogere of lagere landsheren, die vaak gaan over het bezit van bepaalde gebieden. Zulke ruzies worden in de regel beslecht in een gewapende strijd. Dan kan het gebeuren dat een ridder met zijn gevolg dwars over de akkers van de boeren trekt om zijn tegenstander aan te vallen. Soms worden met opzet bezittingen van een tegenstander verwoest. Dan gaan boerderijen en akkers in vlammen op.
Andere keren zijn ridders en voetvolk op zoek naar voedsel. Dat is uiteraard te vinden in de boerderijen die ze op hun weg tegenkomen. Die worden dan leeggeroofd, of als er niets te vinden is uit wraak in brand gestoken. Bij die rooftochten worden ook onpartijdige boeren niet ontzien.
Een vrije boer heeft dan het nakijken. Er is geen mens die voor hem zorgt. Horigen hebben in die omstandigheden het grote voordeel dat ze een schuilplaats kunnen vinden binnen de palissade van de vroonhoeve. Zij staan tenslotte onder de bescherming van hun heer. Als een vrije boer het één of meerdere keren meegemaakt heeft dat zijn bezit in brand gestoken is, ontzinkt hem al gauw de moed om weer opnieuw te beginnen. Dan neemt hij een plag grond van zijn hoeve mee naar een heer of een abt van een klooster en biedt hem die aan als een teken dat hij hem zijn grond schenkt en bij hem horige wil worden. De heerlijkheid van menige heer is op die manier uitgebreid zonder hij daar zelf iets voor hoefde te doen.
saalland
Zoals in het voorgaande al verteld is, wordt het land direct rond de vroonhoeve het saalland of vroonland genoemd.
Het woord vroonland wil zeggen dat dit het land van de heer is.
In saalland zit het woordje saal. Oorspronkelijk betekent saal (of sale, sael) woonplaats of woning. Met de saal wordt dus het woonhuis van de heer bedoeld. Daardoor betekent saalland: het land dat bij dit huis hoort. Langzamerhand treedt er een verschuiving op in de betekenis van het woord. Steeds vaker wordt het woord saal gebruikt voor de grootste ruimte in een klooster, burcht of woning.
Het saalland is dus het land dat de heer in eigen beheer houdt, om te voorzien in de levensbehoeften van zichzelf, zijn gezin en verder van de onderdanen die direct in zijn dienst staan.
Een klein deel van het saalland wordt gebruikt als weiland. Dat zijn de lage wat nattere gronden langs de Maar en de Drecht, dichtbij de vroonhoeve. Hier grazen de runderen, die vooral voor het vlees gehouden worden, en de paarden van de heer. Heer Arnulf is een liefhebber van paarden. Hij heeft er meer dan de meeste heren. Paarden worden vooral gebruikt als rijdieren. De beste exemplaren laat Arnulf trainen om ze geschikt te maken voor de jacht en voor de strijd. Als trekdieren voor de wagens worden meestal ossen gebruikt.
drieslagstelsel
Iets verder bij de vroonhoeve vandaan op de wat hogere gronden ligt het bouwland. De akkers worden bewerkt volgens het drieslagstelsel. Dat bestaat nog niet zo heel lang.
Voor 750 kenden de boeren alleen het tweeslagstelsel. Dat hield in dat een boer zijn grond in tweeën verdeelde. Om de beurt lag de ene helft van de grond braak en werd de andere helft bebouwd, meestal met graan. Door een deel braak te laten liggen werd uitputting van de grond voorkomen. Het grote nadeel van dit systeem was de geringe opbrengst. Slechts de helft van de akkers leverde in goede jaren een oogst op. Bij misoogsten had het boerengezin vrijwel niets om de winter door te komen.
Het was vooral de Frankische keizer Karel de Grote die de boeren stimuleerde volgens het drieslagstelsel te werken. Bij deze methode wordt de grond in drieën gedeeld. Op het ene deel worden in het voorjaar zomergewassen gezaaid. Dat zijn de brouwgranen gerst en haver en verder zomerrogge of bonen. Op het andere deel zaait de boer in oktober de wintergranen, namelijk wintertarwe winterrogge of spelt, de zogenaamde broodgranen. Het derde deel laat hij braak liggen om mineralogisch aan te sterken. In de twee volgende jaren circuleert het grondgebruik.
Het eerste voordeel van deze methode is dat nu twee derde deel van de grond jaarlijks een oogst oplevert. Verder kunnen misoogsten beter opgevangen worden doordat er meer oogsten per jaar zijn. Daarnaast zijn er nateelten van andere gewassen zoals groenten, waardoor het menu gevarieerder geworden is. Door wisseling van de gewassen raakt de grond ook minder snel uitgeput en is één keer per drie jaar braak liggen voldoende om de vruchtbaarheid op peil te houden.
Heer Arnulf ziet erop toe dat niet alleen de akkers op het saalland volgens deze methode bewerkt worden, maar dat ook de horige boeren dit doen op hun hoeven.
onontgonnen gebieden
Bij het saalland horen ook enkele onontgonnen gebieden, het elzenbroekbos langs de Drecht, een rietveld langs de Maar en verderop een berkenbos.
Het oude woord broek betekent laaggelegen drassig land. Broekbossen komen voor in de laagste delen van het land. In de winter staan ze meestal onder water, terwijl het waterpeil in de zomer net onder de oppervlakte staat. In een dergelijke natte omgeving komt een specifieke planten- en bomengroei voor, die vooral bestaat uit elzen, wilgen en moerasvarens.
Arnulf is niet van plan de onontgonnen gronden alsnog te ontginnen, want ze zijn bepaald niet nutteloos. Het elzenbroekbos levert een grote hoeveelheid hakhout op. Regelmatig wordt het hout gekapt, waarna uit de stobben weer nieuwe stammen uitlopen. Elzenhakhout van vier jaar wordt gebruikt voor het maken van houtskool, bonenstaken en stelen voor gereedschappen. Voor de palissade rond de vroonhoeve zijn stammen van tien jaar gebruikt.
Hout uit het berkenbos in een ander deel van het saalland is zeer bruikbaar voor andere doeleinden, zoals meubels.
Dan is er nog het rietveld langs de Maar. Behalve voor de daken van de huizen wordt riet gebruikt voor allerlei vlechtwerk, zoals matten en manden.
Verder zijn de onontgonnen gebieden van belang omdat er veel klein wild in huist, dat een welkome aanvulling vormt op de beschikbare levensmiddelen.
jacht- en visrecht
In oude tijden kon iedereen vrij jagen op alle soorten wild. Dat is nu niet meer zo. In de loop van de tijd is de jacht steeds meer beperkt tot een recht van de landsheren. Koningen organiseren graag jachtpartijen met hun vrienden. Daarom is jagen op groot wild voor de gewone man verboden. Wel is het gebruikelijk dat leenmannen bij hun leen een beperkt jachtrecht krijgen. Dat wil zeggen dat zij op bepaalde, meest kleinere diersoorten mogen jagen. Groot wild komt in het ontgonnen moerasland van heer Arnulf niet voor. Hij heeft van zijn leenheer de bisschop het recht gekregen om te jagen op konijnen, hazen, fazanten, patrijzen, zwanen, reigers en eenden. Dat betekent dat horige boeren het niet moeten wagen één van deze dieren te vangen. Stroperij wordt door heer Arnulf zwaar gestraft.
Naast het jachtrecht heeft heer Arnulf ook het visrecht gekregen. In de Maar komt veel vis voor. Arnulf heeft het recht om te vissen op zalm, elft en baars. Hij is vooral actief in de zalmvisserij. Hiervoor heeft hij enkele horigen aangesteld, die met de zalmschuiten dagelijks de rivier op gaan. Horigen mogen voor zichzelf alleen vissen op kleinere vissen.
Heer Arnulf mag op zijn beurt weer niet vissen op steur, die ook veel voorkomt in de Maar. Steur is een kostbare vis die wel 6 meter lang kan worden. Visserij op steur is een recht van de graaf van Markeland.
Zo is de graaf ook de enige die in het hele graafschap het recht op de valkenjacht heeft, een tijdverdrijf voor de edelen.

heerlijke rechten
Het jachtrecht en het visrecht horen bij de heerlijke rechten die heer Arnulf gekregen heeft van de abt van Kenterburg. Heerlijke rechten zijn rechten die de heer toekomen en hem inkomsten verschaffen.
Naast het jachtrecht en het visrecht is hiervoor al genoemd het recht op een deel van de oogst van de horigen. Verder heeft heer Arnulf het maalrecht. Dat wil zeggen dat alleen heer Arnulf in de heerlijkheid het recht heeft een molen te onderhouden. Iedere boer is verplicht bij deze molen zijn graan te laten malen. Verder houdt het maalrecht in dat de molenaar van elke boer een deel van het gemalen graan apart moet houden voor de heer. De molen waar het hier over gaat is een waterradmolen in de Drecht dichtbij de vroonhoeve. Omdat het de enige molen is in het hele gebied, is het hier in de oogsttijd een drukte van belang. Soms moeten de boeren wel geduld hebben, want de regel geldt: Wie het eerst komt, het eerst maalt.

3. De saal
versterkt huis
Uit het voorgaande zal het duidelijk zijn geworden dat het leven in de heerlijkheid tot in detail bestuurd wordt vanuit de vroonhoeve. Alle lijnen komen samen in het huis van heer Arnulf, de saal op de motteheuvel.
Deze saal wordt ook wel een burcht genoemd, omdat het een versterkt huis is. Dat wil zeggen dat het zo gebouwd is, dat het goed te verdedigen is tegen aanvallers. Wanneer er gevaar dreigt, worden de bruggen opgehaald en de poorten gesloten. Dan weten de bewoners zich veilig achter de dubbele ring van de gracht en de palissade met zijn venijnige omhoog staande punten.
Als eventuele aanvallers er toch in slagen de buitenhof te veroveren, dan wordt de weg naar de motteburcht nog versperd door een tweede gracht en palissade. Als zij ook deze hindernis gepasseerd zijn, moeten ze een hoge trap op om boven op de motte te komen. Daar is dan weer een palissade en een gesloten poort.
Voor de verdedigers die op de motte achter de palissade staan, is het vrij eenvoudig de aanvallers beneden hen af te slaan, want wie boven staat is altijd in het voordeel.
Als het hen echter niet lukt de aanval te stoppen, trekken de verdedigers zich terug in de saal en sluiten ze de deur achter zich. Deze deur bevindt zich bovenaan een trapje, ruim een meter boven de grond, alweer om in het voordeel te zijn tegenover de aanvallers die lager staan. Er moeten heel wat hindernissen overwonnen worden eer de indringers heer Arnulf tot overgave kunnen dwingen.
Het huis van heer Arnulf is gebouwd in de vorm van een toren. Ook dat heeft te maken met de functie van verdediging. Aan alle kanten zijn hoge gesloten muren met enkele kleine ramen op meer dan twee meter hoogte.
Het woongedeelte van het huis bestaat uit twee verdiepingen. Onder de beneden- verdieping is een kelder, waarin levensmiddelen opgeslagen kunnen worden om een langdurige belegering te kunnen doorstaan.
Boven de tweede verdieping is een zolder die niet geschikt is om als woonruimte te gebruiken. Aan alle kanten zijn drie open ramen, dus twaalf in totaal. In het koude jaargetijde is dit vertrek niet warm te krijgen. Dat hoeft ook niet want de zolder is alleen bestemd voor de verdediging van de burcht. Door de open ramen kunnen aan alle kanten de naderende vijanden met pijl en boog beschoten worden, of ze nu over de rivier komen of over het land. Door de hoge positie zijn ze van hieruit zelfs al van ver te zien, waardoor de burchtbewoners tijd hebben om maatregelen te nemen.

woonvertrekken
Het huis van heer Arnulf mag dan groot en indrukwekkend zijn, het is geen geriefelijk woonhuis. De woonvertrekken op de twee verdiepingen hebben kleine ramen, maar die zijn open, waardoor de wind vrij spel heeft in het hoge onbeschutte huis.
’s Winters worden gedroogde koeienhuiden voor de open ramen gehangen, maar die maken het binnen dan weer donker. Bovendien kan de rook van het open vuur daardoor slecht wegtrekken. Overigens is er in het hele gebouw alleen op de benedenverdieping een open haard. Op de balken zoldering boven de kelder is een dikke leemlaag aangebracht, waardoor er een vuur gestookt kan worden. Op de houten vloer van de verdieping daarboven zou dat veel te gevaarlijk zijn. Maar als het niet te hard waait, trekt de warmte van het vuur beneden door naar de verdieping erboven.
Eigenlijk zijn de horige boeren in de winter beter af in hun kleine boerderijtjes, waar in dat jaargetijde de dieren binnen staan. Behalve het vuur van de haard geven ook de dieren warmte.
De inrichting van de woonvertrekken van de saal is vrij sober. De vloer is bedekt met een laag stro, omdat dat warmer is dan een kale lemen of houten vloer. In de benedenverdieping staan maar weinig meubels. Het belangrijkste meubelstuk is de schrijn, een grote houten kist. In de schrijn worden kostbare kledingstukken bewaard, want dat is de enige plek waar ze niet aangetast worden door vocht.
Langs een van de wanden staan enkele schragen en een tafelblad. Tegen etenstijd wordt het tafelblad op de schragen gelegd. Het gezin zit dan op twee lange ruwhouten banken aan weerszijde van de tafel.
Tenslotte is er nog een hemelbed met gordijnen. Als je gaat slapen, trek je de gordijnen goed dicht, want dan heb je een redelijk warm plekje in de grote tochtige kamer. In het bed is plaats voor de ouders en de jonge kinderen. Een baby slaapt in een krib aan het voeteneind. Oudere kinderen gaan op de duur op de tweede verdieping slapen.
rijkdom
De rijkdom van heer Arnulf is niet te zien aan de inrichting van het huis. Alleen de kleding van de heer en van zijn vrouw is kostbaarder dan de kleding van een horige.
Zijn rijkdom bestaat ook niet uit geld. Geld wordt nauwelijks gebruikt. Vroeger was er geld, toen de Romeinen over het land heersten. Maar met het vertrek van de Romeinen is de economie zodanig ingekrompen dat zelfs het geld in onbruik is geraakt. Alleen vorsten hebben muntgeld in bezit en enkele handelaren die verre reizen maken om kostbare goederen te kopen.
Binnen de heerlijkheid van heer Arnulf is trouwens geen geld nodig. Het gebied is autarkisch, dat wil zeggen volledig zelfvoorzienend. Handel met andere gebieden is er niet. Alles wat de mensen nodig hebben wordt door henzelf geproduceerd. Door onderlinge ruilhandel kun je alles krijgen wat je hebben wilt.
De rijkdom van heer Arnulf bestaat vooral uit de voedselvoorraad die in de spiker, de voorraadschuur, bewaard wordt. Wie altijd genoeg te eten heeft is in deze tijd een rijk mens. Verder kunnen ook de paarden van heer Arnulf tot zijn rijkdom gerekend worden. Maar als je heer Arnulf vraagt: Wat is je grootste rijkdom? Dan zegt hij: Dat is mijn gezin.
Dietmar
Het gezin van heer Arnulf bestaat naast hemzelf uit zijn vrouw Hildegard, hun zoon Dietmar en hun dochter Elfrieda. Twee eerder geboren kinderen zijn helaas op jonge leeftijd overleden, een meisje kort na de geboorte en een jongen op vijfjarige leeftijd door een ernstige ziekte. Na Elfrieda is nog een jongetje geboren dat overleden is toen hij twee jaar oud was tijdens een zeer koude winter. Kindersterfte gaat de gezinnen van de rijken niet voorbij.
Dietmar, een jongen van 15 jaar, is de trots van zijn ouders. Hij wordt opgevoed om later zijn plaats als heer van de heerlijkheid in te nemen. Die opvoeding is vooral de taak van zijn vader. Dietmar heeft al jong leren paardrijden. Nu moet hij oefenen met het hanteren van diverse wapens. Er zijn allerlei spelletjes om vaardigheden te leren die in de strijd nodig zijn. Zo is er een pop op een houten spil met in de linkerhand een slinger met een zware steen. Het is een kunst om te paard de pop te naderen en met een lans een stoot tegen de rechterschouder te geven en dan heel snel de slinger met de steen te ontwijken. Als je niet snel genoeg bent, krijg je zelf een dreun. Zo moet Dietmar een behendig strijder worden.
Daarnaast moet hij andere dingen leren die met het bestuur van de heerlijkheid te maken hebben.
Heer Arnulf vindt het ook nuttig dat zijn zoon leert lezen en schrijven. Hij heeft het zelf helaas nooit kunnen leren. Arnulf heeft een pape uit het klooster Kenterburg in huis genomen om deze kant van de opvoeding van zijn zoon te verzorgen.
Elfrieda
De opvoeding van dochter Elfrieda komt voor rekening van moeder Hildegard. Een belangrijke taak voor vrouwen is het klaarmaken van voedsel. Vrouwe Hildegard is daar dagelijks enkele uren mee bezig. Dochter Elfrieda moet haar daarbij helpen. Ze is nu 12 jaar en kan steeds meer van moeder overnemen.
Vooral in de zomer is er veel werk. Dan moet de oogst van de boomgaard en de moestuin verwerkt worden. Dit gedeelte van de vroonhoeve heeft vrouwe Hildegard onder haar hoede. Daar bemoeit heer Arnulf zich niet mee. Een deel van de groente en het fruit wordt vers gegeten, maar het zou dom zijn niets over te houden voor de winter. Ook dan moet er zowel voor het gezin als voor de hofhorigen genoeg te eten zijn. Daarom moet het meeste bewaard worden. Het conserveren van groente en fruit is een bewerkelijk karwei. Elfrieda moet leren hoe dat allemaal moet.
Verder moet het meisje leren spinnen en weven. Moeder Hildegard leert haar ook naaien en borduren. Dat is nuttig om mooie kleren te kunnen maken. Naast al deze bezigheden moet vrouwe Hildegard de woonvertrekken op orde houden en de kleding wassen. Dat zorgt ervoor dat zij al met al een volle dagtaak heeft.
4. De hof
rondgang
Het werk van heer Arnulf bestaat uit het besturen van de heerlijkheid. Hij wil daarvoor graag op de hoogte blijven van alles wat binnen de heerlijkheid gebeurt. Enkele keren per jaar bezoekt hij de horige boeren in hun boerderijtjes. De meeste tijd en zorg besteedt hij echter aan de vroonhoeve. Hij heeft de gewoonte geregeld een rondgang over de hoeve te maken. Soms doet hij dat heel uitgebreid, maar meestal wat korter. We volgen hem op een uitgebreide inspectietocht langs alle gebouwen van de hof.

Als heer Arnulf via de trap van de motteheuvel afdaalt en de brug over gaat, komt hij eerst langs het kleine kerkje van de hof. Deze kapel staat op een plek, die vanuit alle richtingen te zien is. Elke vroonhoeve heeft een kapel, maar dit gebouwtje ziet er opvallend verzorgd uit. Door de invloed van de monniken van Kenterburg wordt aan het onderhouden van godsdienstige verplichtingen veel aandacht gegeven. De pape die heer Arnulf in huis genomen heeft leest hier iedere zondag de mis en verder leidt hij de diensten op de feestdagen van de heiligen, bij trouwerijen en bij begrafenissen. Meestal gaat heer Arnulf voorbij de kapel eerst linksaf. Direct achter de kapel begint een smal voetpad dat tussen de paardenstal en de palissade door loopt.
Dit pad komt uit bij een hoek van de palissade, waar een kleine wachttoren staat, die voor de hof heel belangrijk is. Vanuit deze wachttoren heb je naar links en rechts een goed zicht op de rivier. Heer Arnulf kijkt vaak even of de wachter wel op zijn post staat en vraagt hem soms of hij nog iets bijzonders heeft te melden. Daarna gaat hij terug over het voetpad om vervolgens de paardenstal te inspecteren. Dat zal hij niet gauw overslaan. Tussen zijn paarden blijft Arnulf graag wat langer rondlopen. Bewonderend kijkt hij naar hun krachtige lichaamsbouw en glanzende vacht. Hij geeft de stalknechten aanwijzingen over de verzorging van de dieren. De paarden staan niet altijd op stal. Ze grazen ook vaak op een stuk weiland direct buiten de hoofdpoort.
kleine poort
Recht tegenover de paardenstal is de smederij. Dat is niet voor niets. Stal en smidse horen bij elkaar. Hier staat de travalje waar de dieren van hoefijzers voorzien worden. Overigens is de smid van heer Arnulf niet alleen hoefsmid, maar ook grofsmid. Dat wil zeggen dat hij allerlei ijzeren gebruiksvoorwerpen maakt, zoals gereedschappen om de grond te bewerken, grendels en scharnieren voor deuren. Verder is hij ook bedreven in het fijnere werk, zoals het maken van drievoeten, potten, messen en ander kookgerei. Daarnaast moet hij ook de wapens van heer Arnulf onderhouden.
Iets voorbij de stal en de smederij is de kleine poort. Als heer Arnulf daar doorgaat, komt hij bij de ligplaats van de vissersschepen langs de Maar.
Hier is een steiger waar de drie zalmschuiten van de hoeve hun vaste plek hebben. Wanneer de vissers niet de rivier op zijn, zijn ze hier vaak bezig met het schoonmaken en repareren van de netten en het onderhoud van de bootjes. Arnulf maakt hier graag even een praatje, waarna hij weer teruggaat naar de hof.
Aan de binnenkant van de poort is links en rechts een verhoging, waar wachters over de palissade kunnen kijken. Hoewel de weg door de poort dood loopt, moet hier in opdracht van heer Arnulf altijd minstens één wachter staan. Rondzwervende vagebonden kunnen op een onbewaakt ogenblik de hoeve binnen dringen om hun slag te slaan in de rijke voedselvoorraden.
werkplaatsen
De wandeling van heer Arnulf gaat nu voorbij de woning van de smid linksaf naar de hoofdweg door de hof. Net voorbij het huis van de smid is een waterput. Dat is één van de twee putten op het terrein van de hoeve. De andere put is achter de boerderij. Water is van levensbelang voor de hoeve. Mensen en dieren kunnen niet zonder goed drinkwater. Het schone grondwater uit de putten is beter dan het water van de Maar en de Drecht. Vooral wanneer de vroonhoeve door vijanden belegerd wordt, is een waterput van groot belang. Als er geen water meer is, moeten de belegerden zich al gauw overgeven. Wat dat betreft is de binnenhof op de motteheuvel veel kwetsbaarder. Daar is geen waterput.
Direct achter de waterput zijn de twee werkplaatsen van de timmerlieden.
Hier wordt alles gemaakt en gerepareerd wat binnen de vroonhoeve van hout is. En dat is veel. In de eerste werkplaats worden vooral de grotere dingen gemaakt, zoals hekwerken, deuren en wagens. De tweede werkplaats is voor het vervaardigen van meubels, gereedschappen en andere kleine houten voorwerpen. Enkele hofhorigen zijn hier dagelijks aan het werk.
Met een mallejan worden boomstammen uit het berkenbos, het elzenbroekbos of een andere plek in de heerlijkheid naar de hoeve gebracht. Buiten de werkplaatsen worden de stammen in stukken gezaagd en opgeslagen. Binnen wordt het hout verder bewerkt. Heer Arnulf loopt altijd even de werkplaatsen in om te kijken naar de werkstukken die zijn mannen onder handen hebben. Er komt dan wel eens iets van bewondering in hem op als hij ziet wat een handige timmerman kan maken, zoals een zuiver rond wiel voor een wagen.
schaapskooi
Voorbij de twee werkplaatsen staat half verscholen achter een grote boom de schaapskooi van de hoeve. Doorgaans treft heer Arnulf op zijn rondgang de schaapskooi leeg aan. Al vroeg in de morgen vertrekt de herder met zijn kudde naar een plek waar de schapen kunnen grazen. Dat is meestal op de braakliggende akkers van het saalland en van het land van de horigen. De schapen kunnen daar het onkruid weg eten. Dat is echter maar bijzaak, want de schapen worden vooral gehouden voor de wol.
Bijna alle kleding van de bewoners van de hoeve wordt van wol gemaakt. Vanwege het zelfvoorzienend karakter van de vroonhoeve zijn er naast leer en wol geen andere stoffen om kleding van te maken. Het scheren van de schapen in de zomer is elk jaar een belangrijke gebeurtenis. Dan is er weer nieuwe wol voor de kleren van de komende winter. De wollen kledingstukken gaan niet lang mee, omdat ze nogal snel slijten bij het werk op de hoeve.
Na het scheren worden de vachten gewassen en vervolgens bewaard tot de winter. Zodra er buiten niet veel werk meer is, gaan de vrouwen aan de slag met het spinnen van de wol, met verven en met het weven van lappen stof. Pas daarna kan er begonnen worden met het maken van kledingstukken.
molen
Na het passeren van de schaapskooi komt heer Arnulf bij de hoofdpoort van de hof. Door de poort gaat de enige weg die de vroonhoeve verbindt met de buitenwereld. Verder is de hoeve alleen via de rivier te bereiken.
Het is uiteraard belangrijk dat de hoofdingang van de hof goed bewaakt wordt. Aan weerszijden van de poort is een wachtpost, waarvan er altijd minstens één bemand moet zijn. De wachter groet zijn heer onderdanig als hij door de poort naar buiten gaat. Dat doet Arnulf niet bij elke rondgang. Een enkele keer brengt hij een bezoek aan de waterradmolen die net buiten de hoeve langs de Drecht staat.
Naast het huis van de molenaar staat een klein gebouwtje dat met de achterkant grenst aan de beek. Aan die kant zit een groot scheprad dat door het stromende water van de Drecht in beweging wordt gebracht. Binnen wordt de draaiende beweging van de grote as via tandwielen overgebracht op de bovenste molensteen. Tussen deze draaiende steen en de onderste steen die vast ligt, worden de graankorrels tot meel gemalen. De molen is niet het hele jaar in bedrijf. Als het koren van de akkers geoogst wordt, is de molenaar lange dagen aan het werk. Na het verwerken van de oogst staat de molen een tijd stil.
Als heer Arnulf weer teruggaat door de poort, loopt hij langs de gebouwen aan de andere kant van de hoofdweg
meier Hiddo
Eerst komt hij dan bij de boerderij van de hof. Hier woont Hiddo samen met zijn gezin. Hiddo is een belangrijke man in de vroonhoeve. Heer Arnulf heeft hem aangesteld als meier. Dat houdt in dat hij de dagelijkse gang van zaken in de heerlijkheid moet regelen. Hij geeft leiding aan al het werk binnen de vroonhoeve. De hofhorigen krijgen van hem te horen wat ze doen moeten. De meier heeft ook zeggenschap over het werk dat buiten de hoeve moet gebeuren. Hij beslist welke horigen opgeroepen moeten worden om de herendiensten te verrichten. Hiddo controleert ook of al het werk goed gedaan wordt, zodat zijn heer tevreden kan zijn. Verder houdt hij toezicht op de afdrachten die de horigen aan de heer verschuldigd zijn. Daarvoor brengt hij regelmatig bezoeken bij alle hoeven. Hij wijst precies aan wat ze moeten geven: deze zakken graan, die bonen, die kippen, die honing en die lappen geweven stof.
Voor heer Arnulf is het van groot belang dat hij een rentmeester heeft die hij volledig kan vertrouwen. Dat is vooral nodig als Arnulf langere tijd van huis is. Dan rust de hele verantwoordelijkheid voor het reilen en zeilen in de heerlijkheid op de schouders van meier Hiddo. Heer Arnulf gaat op zijn rondgang door de hoeve in ieder geval altijd naar de boerderij van Hiddo. Dan bespreekt hij met hem de plannen die hij heeft. Hiddo moet die plannen vervolgens uitvoeren. Een bezoek van heer Arnulf bij de boerderij kan wel eens lang duren. Dan bedient de vrouw van Hiddo de heer met gerstebier en soms met een maaltijd.
De meier is verder de enige hofhorige die wel eens bij zijn heer in de motteburcht genodigd wordt. Dat gebeurt als er zaken zijn die vertrouwelijk besproken moeten worden.
boerderij
De boerderij van Hiddo is ook het centrale punt van waaruit het werk op het saalland gedaan wordt. Hier worden de gereedschappen en werktuigen bewaard die nodig zijn voor het werk op de akkers. Op de zolder van de boerderij ligt het zaad opgeslagen en het voer voor de dieren.
De meeste dieren verblijven buiten. Aan de ene kant van de boerderij wroeten de varkens in de modder en aan de andere kant lopen de geiten in een weitje. Achter de boerderij scharrelen altijd wat kleine dieren rond, zoals ganzen en kippen.
De runderen die voor het vlees gehouden worden, lopen buiten de poort in een stuk weiland. Er zijn ook enkele melkkoeien. Die staan doorgaans op stal in de boerderij.
Nauw verbonden met de boerderij is de spiker die ernaast staat. In de boerderij is niet genoeg ruimte om de voorraden voor de winter op te slaan. Daarom heeft heer Arnulf een aparte voorraadschuur laten bouwen. In de spiker wordt de oogst van het saalland bewaard. Maar ook alles wat de horige boeren aan hun heer moeten afdragen wordt hier naar binnen gebracht.
Het beheer van de voorraden in de spiker hoort ook bij de verantwoordelijkheid van de meier. Samen met Hiddo inspecteert heer Arnulf aan het einde van de zomer wat er allemaal opgeslagen ligt. Er zijn jaren geweest waarin de spiker goed gevuld was. Maar het is ook wel voorgekomen dat er door ongunstige weersomstandigheden misoogsten waren. Dan was er aan het einde van de oogsttijd nauwelijks iets om op te slaan. En dan wist iedereen in de heerlijkheid dat er een zware winter te wachten stond. Hongersnood is geen onbekend verschijnsel in deze tijd.
bakkerij
Het laatste huis waar heer Arnulf op zijn rondgang langs komt, is de bakkerij. Brood bakken is van ouds het werk van de vrouwen thuis. De horige boeren hebben bij hun boerderij een bakoven die onder een afdak of in een schuurtje staat. Heer Arnulf heeft beslist dat er in de vroonhoeve één bakoven zou komen. Als één horige voor de hele bevolking van de hoeve brood bakt, kunnen de overigen hun tijd besteden aan andere taken.
Heer Arnulf heeft een lemen oven laten bouwen in een losstaande ovenschuur. Een hofhorige bakt hier dagelijks de benodigde hoeveelheid broden. Veel variatie zit daar niet in. Het is vooral speltbrood en roggebrood dat in de hoeve gegeten wordt.
Na het huis met de bakoven is heer Arnulf weer aangekomen bij de poort naar de motteburcht. Hier gaat ook nog een pad linksaf, maar daar komt Arnulf maar zelden. Langs dit pad is de boomgaard en de moestuin. Zoals al eerder verteld is, zwaait zijn vrouw daar de scepter.
boomgaard en moestuin
Regelmatig is vrouwe Hildegard aan deze kant van de vroonhoeve te vinden. Zodra de winter voorbij is, gaat ze naar de boomgaard om te zien hoe de fruitbomen erbij staan. Het zijn vooral appelbomen van verschillende rassen. Verder staan er ook peren- en kersenbomen. Hildegard kan op een mooie voorjaarsdag genieten van de pracht van de bloeiende bomen.
Niet minder geniet ze van de moestuin naast de boomgaard. Een groot deel van het jaar is hier veel werk te doen. Te veel voor vrouwe Hildegard alleen. Daarom heeft ze een hofhorige aangesteld als hovenier. Met hem bespreekt ze welke gewassen ze wil kweken en wat er allemaal moet gebeuren om de planten goed te verzorgen. De hovenier doet het zware werk, maar Hildegard is zelf ook vaak bezig met zaaien, planten en oogsten.
In de moestuin groeien groenten, kruiden en verfplanten.
Verfplanten worden gekweekt omdat daarmee kleurstoffen gemaakt kunnen worden om de wol van de schapen te verven. Er zijn drie soorten verfplanten in deze tuin: meekrap, wede en wouw. Van de gemalen wortels van meekrap wordt een rode verfstof gemaakt. De bladeren van wede zorgen na een gistingsproces voor een blauwe kleur. De bovengrondse delen van wouw vormen de grondstof voor gele verf.
Het grootste deel van de tuin wordt in beslag genomen door groenten. Er groeien diverse soorten groenten in deze moestuin, vooral knollen, pastinaken, bieten, rapen, uien, prei en warmoes.
Vrouwe Hildegard kweekt ook graag kruiden. Ze heeft in de tuin maaltijdkruiden die het eten smaak geven, zoals look, dille, peterselie, tijm, salie en munt. Maar er groeien ook geneeskrachtige kruiden.
De bevolking van de heerlijkheid is helemaal aangewezen op wat er in de natuur groeit, zowel voor levensmiddelen als voor geneesmiddelen. Nu zijn er voor allerlei kwalen waar de mensen mee tobben heel veel verzachtende en genezende kruiden in de natuur te vinden. Vrouwe Hildegard heeft zich toegelegd op het kweken van deze kruiden. Zo groeit er in deze moestuin: gevlekte ooievaarsbek (een bloedstelpend kruid), braakwortelspirea (een laxeermiddel), selderij (bevordert de spijsvertering), agrimonie (verzacht maagpijn), hartgespan (een hartversterkend middel), munt (muntthee geeft verlichting bij verkoudheid), wijnruit (drijft kwade sappen uit).
Genezende kruiden moeten op een speciale manier bereid worden. Zo moet venkelzaad gemengd worden met geitenmelk om te helpen tegen verstopping. En als venkelwortel door de wijn geroerd wordt, heb je een middel tegen hoest. Hildegard weet hier heel veel van. Met grote zorg kweekt zij de planten en maakt er geneesmiddelen van.
Als zij aan het werk is in de moestuin gebeurt het nogal eens dat er mensen bij het hek komen staan om te vragen of zij een middeltje heeft tegen de een of andere kwaal, waaraan zijzelf of hun huisgenoten lijden. Ze zijn maar wat blij met hun vrouwe die niet alleen veel weet, maar er ook blijk van geeft zorg te hebben voor zieken en zwakken.
In deze tijd waarin de mensen geïsoleerd leven binnen hun heerlijkheid, vrijwel zonder contacten met de buitenwereld, hebben ze elkaar nodig in hun dagelijkse strijd om het bestaan. Een horige die een verstandige heer en een zorgzame vrouwe boven zich heeft is een gelukkig mens te noemen.
